De man en de herfst II

Door Frank Beuken

Herfst 2

Ik stal mijn fiets in het gereserveerde hokje. De trein is precies op tijd en we hebben godzijdank nog geen vertragingen gehad, maar dat verandert in de herfst beslist. Mijn chef heeft er dan alle begrip voor dat ik te laat kom, zegt hij, maar zijn kritische blik vertelt mij wat anders. De trein zet zich in beweging en vandaag wil ik even niets lezen. Ik leun met mijn elleboog op het kleine tafeltje boven de prullenbak en ik staar naar buiten. Overal zie je de drukte van forensen die alle richtingen op reizen. De trein zet zich, na een kort fluitsignaal van de conducteur, langzaam in beweging. Ik zit met mijn rug naar de rijrichting toe. Niet dat ik dat prettiger vind. Integendeel, maar over drie stops komen we aan in Arnhem en van daaruit begeeft de trein zich in de omgekeerde richting en dan zit ik dus goed. Had ik dat niet gedaan dan zat ik nu de hele reis achterstevoren want in Arnhem is de trein al overvol en zou ik niet meer van plaats hebben kunnen ruilen. Na een korte stop op het station Ede-Wageningen komt er een meisje tegenover mij zitten met een koptelefoon op, druk aan het typen op haar smartphone. Helemaal weg van deze dagelijkse sleur. Ik heb het ook eens geprobeerd om met een koptelefoon op door het verkeer te gaan, maar ik raakte lichtelijk in paniek omdat ik de omgevingsgeluiden niet meer horen kon. Het meisje is, onderwijl zij driftig doorgaat met typen, met haar voet aan het meetikken op de maat van de muziek. Dat zij het juiste ritme heeft, weet ik omdat zij niet de enige is die de muziek hoort. Ik word wreed verstoord door een trap tegen mijn knie. “Hee! Hee, man, kijk naar wat anders!” snauwt ze mij toe. Ik schud mijn hoofd een paar keer en ik knipper met mijn ogen. “O, sorry! Ik had het niet in de gaten dat ik je aanstaarde. Dat schijn ik wel vaker te doen.” Wat mij aan haar opvalt zijn de proporties van haar gezicht. Ze heeft een smal gelaat maar haar bril met een dik zwart montuur bedekt bijna de helft van haar gezicht. De grote plus lenzen laten haar ogen nog groter uitkomen dan ze in werkelijkheid zijn. Het krijgt bijna een buitenaards uiterlijk. “Het spijt mij,” voeg ik er nog aan toe. Ze probeert mij wat gerust te stellen: “Het is al goed joh! Ik heb je overigens wel vaker in deze trein gezien.” “In deze trein?”, antwoord ik verbaasd. Ik begon mij terdege af te vragen of zij precies weet welke treinstellen er allemaal zijn. Sommige mensen bezitten dat soort gaven. “In de trein naar Utrecht!”, zegt ze omdat een reactie van mij uitblijft. Ik steek mijn hand naar haar uit. “Ik ben Jan-Willem.” Zij neemt de moeite niet of vindt het vreemd om mij een hand te geven, maar zij verraadt mij wel dat ze Nathalie heet. “Ik ken een liedje met de titel Nathalie, uit de zestiger jaren. Ik meen dat Gilbert Bécaud het zong.” “Nope”, zegt ze ongeïnteresseerd. “Nog nooit van gehoord.” “Ik ben een zeer slechte zanger anders had ik het lied voor je gezongen.” Daarbij trek ik een onnozel gezicht. Een klein lachje verraadt dat zij het wel goed vindt dat ik niet ga zingen. We arriveren op Utrecht–Centraal en zij staat op. “Ik ga het liedje opzoeken, hoor! Doei!” En weg was zij. Nu vraag ik je. Eerst laat zij mij duidelijk haar desinteresse blijken in een lastige man zoals ik, dan is zij toch nieuwsgierig geworden. Of is het om mij niet met een rotgevoel te willen achterlaten?

De trein rijdt het station Amsterdam-Amstel binnen. Nog een wandeling van tien minuten en dan begint de werkdag weer. Bij het verlaten van de trein merk je de straffe wind. Het is ook duidelijk kouder dan in het oosten van het land. Soms kan dat vijf hele graden schelen. “Zo Jan-Willem, heb je de reis weer overleefd?” De portier in het glazen hokje heeft, zoals gewoonlijk, een goed humeur. Hij doet mij denken aan een hagedis in zijn terrarium. “Ja, Dirk ik spreek je straks nog!” “Jan-Willem! Wacht even! Heb je nog aan mijn spullen gedacht?” “Volgende week, Dirk! Ik heb van het weekend geen tijd gehad. Tot vanmiddag!” Ik snel naar de liften toe. De koffiejuffrouw, Ans, probeert het karretje vol met thermoskannen en kopjes de lift in te duwen, maar de kleine draaiwieltjes willen niet meewerken. Ik snel mij tussen het karretje en de liftdeuren door en til het onding even omhoog zodat een van de wieltjes niet meer blijft steken tussen de bewegende drempel. “Bedankt, schat!” Het ielige, afgeknepen stemmetje gaat door merg en been. Zij is een echte Mokumse en zij heeft altijd haar woordje klaar. Ik knik vriendelijk, kijk vervolgens naar het plafond van de lift en ik hoop dat het contact hier uitblijft. Het is een heel vriendelijke dame van rond de zestig jaar, maar op de vroege ochtend ben ik niet tegen haar opgewassen. Ik woon al te lang aan de oostkant van het land. De Nijmeegse mentaliteit lijkt in veel opzichten op de Brabantse mentaliteit, ondanks dat het in Gelderland ligt. In de ochtend houden zij van rust en spreken elkaar niet zo vlot aan.

Op de zesde verdieping stap ik uit de lift. Nog een minzaam lachje voor de koffiejuffrouw en ik loop zo snel mogelijk naar mijn bureau. “Volgende keer wat vriendelijker graag!” klinkt het luid en schel uit de lift voordat de deuren weer dichtgaan. Daarna zei zij nog iets, maar dat was niet meer te verstaan.

Het proces van het begin van de werkweek is begonnen. Ik neem plaats aan mijn bureau en schakel de computer aan. Ik luister de berichten af van het antwoordapparaat. Niets bijzonders. Links van mij ligt een stapel papier met berichten die uitgewerkt moeten worden en de mailbox zit op maandag doorgaans vol met verzoeken voor nakijkwerk. “Jan-Willem, over tien minuten in mijn kantoor!” Het is de nieuwe afdelingschef. Voorheen was hij een redacteur bij een onbeduidend tijdschrift, nu leidt hij de buitenlandafdeling van de regionale krant. Een man van begin dertig die zeer gedreven is in alles wat hij doet. Misschien liggen wij elkaar daarom niet zo. Tenminste dat gevoel heb ik bij hem. Alsof hij in een heel andere wereld verkeert dan ik. Carrière, ambitie, verbeterplannen, Amerikaanse toespraken om de afdeling op te peppen. Een enkeling gaat er in mee maar de meesten blijven de Hollandse nuchterheid trouw.

De lamellen van zijn kantoor zijn dichtgedraaid en ik neem het zekere voor het onzekere. Ik klop zacht en ik heb mijn hand nog niet teruggetrokken of de deur gaat met een zwiep open. “Kom binnen, vriend!” Hij schudt mij de hand en legt zijn andere hand op mijn schouder. Hij trekt mij letterlijk zijn kantoor binnen. “Jan-Willem, ga zitten!” spreekt hij luidkeels. Nog zo’n Amerikaanse gewoonte: hard en duidelijk spreken en iedereen op de werkvloer is je vriend. Wanneer ik net zit komt de koffiejuffrouw binnen. “Ah, hier zit je!” Let een beetje op hem, Kees!” Haar stem is snijdend. “Vandaag heeft Jan-Willem niet zo’n goed humeur. Hier heb je een lekker koppie koffie, schat!” De chef schijnt het allemaal vermakelijk te vinden en wacht rustig af tot zij en haar rammelkarretje de deur weer uit zijn. “Zo, dus je humeur is vandaag niet optimaal?” “Nu ja, tot zojuist had ik nergens last van maar wanneer jij en tante Ans anders beweren dan zal het wel zo zijn. In al mijn eerlijkheid moet ik bekennen dat mijn humeur voor de maandagochtend opperbest is.” “Al goed, al goed,” zegt Kees op een bedaarde toon. Luister, Jan-Willem, hoe is het met je? Hoe gaat het thuis? En met je vrouw?” Enigzins argwanend vraag ik hem: “Mijn vrouw? Ken jij mijn vrouw?” “Nee”, zegt Kees stellig. “Ik weet eigenlijk zeer weinig over jou. Vertel eens wat over je gezin. Begin maar, wanneer je dat wilt, over je vrouw.” “Pauline. Zo heet mijn vrouw. Pauline is een vrouw. Nee. Ja, natuurlijk is Pauline een vrouw.” Kees kijkt mij verbouwereerd aan. “Mijn vrouw is een perfectionist, weet je. Pardon, een perfectioniste! Alles moet voor haar perfect zijn. Alles in huis heeft een vaste plaats, daar mag niet van afgeweken worden. Zij is heel opgeruimd en wij behoren daar aan mee te doen. Buiten dat is zij een taalpurist. Excuseer, een puriste.” De chef kijkt mij vertwijfeld aan, maar ik laat mij niet ontmoedigen en ga verder; “Onlangs schreef ik een liefdesbriefje voor haar en dat liet ik achter op de keukentafel. Zij staat meestal later op dan ik, dan vindt zij het briefje bij het theedrinken. Koffie, daar begint zij niet aan. Dat schijnt slecht voor haar bloeddruk te zijn. Zij raadt het mij ook af, maar dat zijn de geneugten van het leven waar ik geen afstand van wil doen. ’s Avonds toen ik thuiskwam lag het briefje nog exact op dezelfde plaats, aangevuld met  komma’s en de punten die ik vergeten was. De correcties waren ook voorzien van enig commentaar. In het rood geschreven.” “Goed, goed”, onderbreekt hij mij. “Ik zal niets meer vragen” Hij draait zich even om en kucht een paar keer. Ik knik. “Maar waarom heb je mij hier uitgenodigd?” “Luister, Jan-Willem,” zegt Kees. “De reden waarom ik wat meer over je wil weten, is omdat ik het gevoel heb dat je het allemaal niet zo ziet zitten.” Nu word ik toch behoorlijk argwanend. Gaat hij mij nu vertellen dat ik word ontslagen? “Maar..” “Wacht even, Jan-Willem, voordat je iets zegt, laat mij eerst uitpraten. Straks kun je alles zeggen wat je wilt maar ik heb een voorstel. “Wat dan?” vraag ik hem verbaasd. Hij plaatst zijn wijsvinger kort tegen zijn lippen en vervolgt zij verhaal. “Wat zou jij ervan vinden om op werkbezoek te gaan, in het buitenland?” “Werkbezoek? Buitenland? Ik? Maar voor hoelang?” “Het gaat om een periode van zes weken en het enige wat je taak is, is de medewerkers daar volgen en erover schrijven. Wat zij dagelijks doen. Hoe ziet hun dagprogramma eruit? Waar moeten zij voor waken? Hoe is de beveiliging, enzovoorts enzovoorts.” “Waar wil je mij in godsnaam naartoe sturen, Kees, wanneer je spreekt over dagprogramma’s en beveiligingen?” Zeg mij eerst of je er oren naar hebt, Jan-Willem.” Ja, ja, natuurlijk wel!” Onderwijl Kees de telefoon opneemt denk ik aan thuis. Dat betekent dat ik zes weken van huis ben. Ik zie Pauline en de kinderen anderhalve maand niet. Wat zouden zij ervan vinden? Kunnen zij zo lang zonder mij of ik zonder hen? Plots schieten mij de woorden van Pauline binnen die zij mij vorige week toesnauwde: “Onderneem eens wat, Jan-Willem! Je zit op je werk of thuis en voor de rest doe je helemaal niets!” Juist wanneer Kees de telefoon neerlegt roep ik luidkeels: Ja, ik doe het!” “Mooi!” zegt Kees, “de reis gaat naar Afghanistan!”

Advertenties

Een reactie plaatsen

Mijnheer van Vliet

Door Frank Beuken

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Goedemiddag, meneer van Vliet. Hoe maakt u het?” Roderick doet zijn uiterste best om zijn haatgevoelens te verbergen. “Dat gaat je niets aan, stomme homo!” bromt meneer van Vliet. Roderick weet dat deze maandag niet hetzelfde wordt als de andere wekelijkse bezoeken van meneer van Vliet. “Nou, gaat u hier maar zitten hoor, vriendelijke man!” Roderick heeft, in tegenstelling tot meneer van Vliet, een vrij hoge stem en een overdreven Amerikaanse r, die achter in de keel uitgesproken wordt. Roderick kwam vijftien jaar geleden vanuit Amerika, voor zijn grote liefde, naar Nederland. “Wat mag ik vandaag met dat onmogelijke haar en uw hangsnor doen, meneer van Vliet?” Roderick blijft beleefd, maar cynisme krijgt duidelijk de overhand. Zijn collega Mark ziet direct dat Roderick niet op zijn gemak is, en hij kijkt hem even streng aan, alsof hij zeggen wil; blijf kalm. In een korte en snelle tred loopt Roderick voor meneer Van Vliet uit, daarbij zijn rechter onderam opgetrokken en zijn vingertoppen naar beneden wijzend. Even staat Roderick in de weg, maar een korte sis van meneer Van Vliet laat hem direct opzij stappen. “U geniet zeker net zoveel van het mooie weer als ik, hè, meneer Van Vliet?” vraagt Roderick en hij maakt zijn blauw-groene ogen heel groot. Meneer Van Vliet neemt plaats in de grote, lederen stoel en krijgt een wit schort om. “Niet zo strak, stomme nicht!” en meneer Van Vliet duwt zijn vingers tussen de kraag en zijn hals in, en geeft een korte ruk aan het schort. Deze keer laat Roderick het schort wat losser. “Gewoon knippen en voor de rest je mond houden!” bromt meneer Van Vliet weer. “Ik zeg het je: wanneer jouw domme landgenoten in 1945 niet hadden ingegrepen, had jij geen schijn van kans gehad hier! Zij hadden jouw direct naar een heropvoedingskamp gestuurd!” Duidelijk geschrokken, dit keer, maakt Roderick aanstalten om weg te lopen, want nu gaat meneer Van Vliet, duidelijk te ver,maar dan bedenkt hij zich. Hij gaat tussen hem en de spiegel instaan, en begint te kappen. Na ongeveer een kwartier, zegt Roderick: “Zo klaar, meneer Van Vliet. Het haar gemodelleerd en uw snor bijgeknipt!” In een beweging neemt Roderick het schort af en doet een stap opzij, zodat meneer van Vliet de spiegel kan zien. Het donkere haar naar rechts gekamt en ietwat aan het voorhoofd geplakt. De snor is nog maar net zo breed als zijn neus. Meneer van Vliet zet grote ogen op. Hij buigt iets naar voren en knijpt dan zijn ogen samen. Hij grijpt met zijn grote behaarde handen de brede leuningen vast en komt wat uit zijn stoel. Roderick heeft afstand genomen en doet net alsof hij niets meekrijgt van het tafereel. Meneer Van Vliet begint binnensmonds te vloeken. De ergste ziektes komen voorbij. Hij gaat staan en recht zijn rug. Plots spreekt hij weer luid: “Dát is puik werk, jongeman!” Tevreden legt hij een biljet van vijftig euro op de toonbank, hij pakt zijn jas en haast zich de deur uit.

Een reactie plaatsen

De schoonmoeder

Door Frank Beuken

 

Kofferbak“Met Anneke.” “Ja, met mij, je schone zoon!” “Laat dat schone maar weg. Dat heb ik al verorberd!” klinkt het cynisch, aan de andere kant van de lijn. “Verdomme, Anneke! Je zou daar niet meer over beginnen! Het is een keer gebeurd. Ik wil niet dat Johanneke erachter komt!” antwoordt Peter duidelijk geërgerd. “Eerlijk gezegd Peter, begrijp ik niet wat zij in jou ziet. Je loopt erbij als een arme sloeber en je hebt geen behoorlijke baan om haar te onderhouden.”

 

“Daar had jij toch ook geen probleem mee, toen wij die nacht samen waren?” “Ach, Petertje, zelfs daar presteerde jij niet veel.” Ben je dronken, Anneke?” “Nee, hoezo?” “Nu ja, ik ben dit niet van jou gewend.” “Ach, Peter. Je zou eens een glas moeten proberen. Dan ben je misschien meer te genieten. Eerlijk gezegd, is Hendrik-Jan een veel betere partij voor Johanneke. Hendrik-Jan heeft een goede baan bij de bank, iets waar jij alleen maar op zit, en hij kleedt zich bijzonder goed, én hij vindt het wel gezellig om samen een glas wijn te drinken. Iets wat jij telkens afslaat. “Wat?” zegt Peter verschrikt. “Je bedoelt ‘samen’…?”

Een reactie plaatsen

De man en de herfst I

Door Frank Beuken

A long bench

Het is nog maar zes uur in de ochtend, net voorbij de schemertijd. Over een week of twee zal de zon mij niet meer begroeten, want de dagen worden almaar korter. Dan ben ik weer afhankelijk van de digitale wekker, verhuld in een ouderwetse ‘rinkelklok’ met bijkomend getik. Een zacht getikweliswaar, maar zodra het buiten stil is, zorgt dit geluid dat ik geregeld de slaap niet kan vatten.  Mijn hoofd bonkt van een glas wijn teveel, bij het etentje gisteravond van onze buren.

Ik merk dat het mij de laatste tijd sowieso zwaarder valt om ’s morgens op te staan. Pauline meent dat het met het oude springveren matras te maken heeft, dat ik na tien jaar nog steeds niet wil vervangen voor een modern comfortzonematras. Toch vind ik het knap van die reclamemensen. Telkens weer verbaas ik mij over de nieuwe benamingen die zij uit hun mouw schudden. Comfortzone- of intelligent ontspanningsligbed. Voor mij blijft het een matras. Ikzelf denk dat het problematische opstaan met mijn leeftijd te maken heeft. Pauline doet het af als onzin en zegt: “Je bent zo oud als je jezelf voelt!” en: “Op je veertigste ben je nog helemaal niet versleten!” Zij kan mij nog meer vertellen, maar ik besef heel goed dat ik ouder wordt. De jongeren die ik tegenkom zien in mij een oudere man. Dit besefte ik voor het eerst toen een jongen mij met u aansprak: ” Meneer, weet u hoe laat het is?” Nog in een roes druk ik de schakelaar van het koffieapparaat in, en ik sjok naar de badkamer. Ik draai de kraan van de douche open. Ik zie nog net het gezicht van de maandagochtendman, voordat het verdwijnt achter de beslagen spiegel. Alles gaat op een manier waarvan je weet dat dit al jaren elke dag wordt herhaald. Pas wanneer ik met mijn ogen dicht, onder de douche het stuk zeep niet kan vinden, word ik echt wakker. Alsof het automatische proces wordt onderbroken. Bij het afdrogen van mijn rug denk ik telkens weer: Daar zouden ze toch iets anders op moeten verzinnen. Het is een veel te ingespannen beweging om je rug goed droog te krijgen. Geërgerd over het feit dat ik mijn hemd wat voel plakken, loop ik kauwend op mijn tandenborstel naar de keuken. Het is de geur van koffie die mijn humeur weer wat opbeurt. Bijna vanzelfsprekend wil ik de lade van de servieskast opentrekken om een sigaret te pakken,maar ik ben sinds twee weken gestopt. Het is te veel voor een mens in de vroege ochtend. Tussen de wekpotten, op het bovenste schap bij het fornuis, ligt een e-sigaret. Waarom deze daar ligt en niet op een wat logischer plaats is waarschijnlijk mijn eigen schuld. Zoals gezegd, een glas teveel op doet een hoop vergeten. Aan de keukentafel drink ik mijn koffie en lurk bijna fanatiek aan de e-sigaret. Het is alsof de vloeibare nicotine in dat ding mij nooit voldoening geeft. De verpakking beweert echter anders. Een krant en een tablet. Persoonlijk kies ik voor de conventionele krant maar mijn kinderen zweren bij de tablet, en zij vinden dat ik er ook maar mee moet leren omgaan. Zij vinden het storend wanneer zij mij om hulp vragen, en ik meestal mijn schouders ophaal en duidelijk laat merken dat ik het maar een onding vind. Ik doe een aantal pogingen om het nieuws online te lezen, maar het is toch niet hetzelfde. Voorzichtig schuif ik het apparaat opzij en ik sla de krant open. Er gaat niets boven het geritsel van het papier met een groot overzicht. Alsof je makkelijker kiezen kan waar je begint te lezen. Onderaan, in het midden, of eerst de kop van de krant: De begroting is klaar voor prinsjesdag. ‘Hoe zit het eigenlijk met onze begroting?’ vraag ik mij af. Ik zal Pauline, vanavond eens vragen. Nu is het niet zo dat ik geheel ouderwets ben, hoor. Voor mijn afspraken en bereikbaarheid heb ik een smartphone aangeschaft, en voor mijn werk kan ik niet zonder een computer. Ik denk dat het meer de rust is die ik vind in simpele zaken, zoals een krant. In mijn linkerhand houd ik mijn grote kop koffie omklemd en in mijn rechterhand de e-sigaret. Een asbak zou nu wel aangenaam zijn geweest, zodat ik dat ding even kan neerleggen zonder dat het lekt op het tafelkleed. Pauline heeft mij daar al een paar keer voor gewaarschuwd. Wanneer ik goed en wel klaar ben voor vertrek, loop ik nog even de tuin in. Ik haal een paar keer diep adem en het is duidelijk. De zomer loopt op zijn eind. Het wordt kouder in de ochtenden, en ik weet niet of ik het mij inbeeld, maar de lucht wordt zuiverder.  Alsof ik dieper kan inademen. De moestuin ligt er wat verlept bij. De tomatenplanten rottend op de aarde en geen courgette meer te bekennen aan de lange uitlopers van de plant. Mijn sloffen zijn doorweekt van het vochtige gras, iets wat ik elke ochtend schijn te vergeten in deze tijd van het jaar.  Nog even droge sokken aandoen. Mijn schoenen staan keurig op de plek waar ik ze elke ochtend vind. In het schoenenkastje naast de achterdeur, terwijl ik ze elke avond, onder de keukentafel uittrap. Ik draai de deur op slot, want Pauline hoeft pas een uur later op te staan. Met de mouw van mijn jas veeg ik het zadel van mijn fiets droog. Voor de tas heb ik met mijn laatste verjaardag een handige beugel gekregen, gemonteerd op de bagagedrager, waarin mijn tas past. Pauline en de kinderen hadden dit bekokstoofd nadat ik mijn tas tot twee keer toe ben kwijtgeraakt. De eerste keer is mijn tas op weg naar het station op onverklaarbare manier verdwenen, terwijl ik deze achterop mijn fiets had. Pauline meende dat ik de tas niet op de juiste manier onder de snelbinders had bevestigd. De tweede keer is de tas aan de zijkant van de fiets terechtgekomen toen ik de winkelstraat naar beneden fietste, en op het laatste moment moest uitwijken voor een dronken man. De tas raakte tussen de spaken van het achterwiel  en ik kwam tot stilstand tegen een geparkeerde auto. Toen ik bijkwam lag ik in het Radboudziekenhuis en om mij heen zaten Pauline en de kinderen. “Je hebt een ongeluk gehad, pap!” sprak mijn dochter zeer luid, alsof ze het vermakelijk vond. Mijn zoon kijkt mij niet eens aan en zit met zijn armen strak over elkaar. Zijn gezicht verraadt een zojuist aangekomen standje van zijn moeder. “Schat, je hebt een enorme smak gemaakt. Buiten een hoofdwond heb je een gebroken sleutelbeen en drie gekneusde ribben. Volgens de dokter ben je over drie weken weer op de been,” zei Pauline, terwijl zij mijn hand vastpakte. Ze keek mij medelijdend aan,maar daarachter schuilde een afkeurende blik. “Wat heb je jezelf toch weer aangedaan” Ik hoorde het haar zeggen. Het heeft nog zeker een maand geduurd voordat ik weer naar mijn werk kon. Met mijn linkervoet op het pedaal maak ik met mijn rechtervoet, een paar ferme stappen en ik spring vervolgens behendig op defiets. Na nog geen 5 minuten fietsen, zijn mijn handen ijskoud. Ik blaas met mijn mond warme lucht, eerst in de ene dan in de andere hand. Ja, het wordt echt kouder. De route van mijn huis tot aan het centraal station van Nijmegen is ongeveer een half uur. Een heerlijke fietstocht over de dijk. De mistbanken bedekken de Waal geheel en sluipen langzaam over het wit uitgeslagen gras van de uiterwaarden. Waar je ook kijkt, zie je groepjes ganzen die druk gakken over de volgende reis. In het begin van de winter is het hier een komen en gaan van enorme vluchten ganzen. In V-formaties vliegen zij over de Ooypolder. Duizenden komen uit het koude noorden en nog eens duizenden verlaten de polders om zuidwaarts te keren. Maar nu is het relatief rustig. De winter zal nog wel een tijd op zich laten wachten. Zwanen, reigers en ooievaars maken deel uit van de vele soorten vogels, die men hier ziet. Het wegdek van de dijk is nat en boombladeren en takjes liggen her en der verspreid.
De zomer is voorbij.

Een reactie plaatsen

Degenen

Door: Frank Beuken

Complexiteit

Complexiteit

De eerste herfststorm jaagt over de hoge dijk. Er is een spel gaande, tussen de bus en de natuur. De wind probeert de bus van de dijk af te duwen, maar de chauffeur trekt het stuur uit alle macht naar rechts om op de smalle strook asfalt te blijven. Een school bladeren van hoge populieren waaien in een ruk los en schieten voorbij. Een enkel blad rust kort op de voorruit, precies in het gezichtsveld van de bestuurder. Het lijkt hem niet te deren, omdat zijn dans met de storm zijn hoogtepunt heeft bereikt. Bij een korte bocht naar rechts schiet het achtergebleven blad weg, en de chauffeur kan weer rechtop zitten.

De dijk komt ten einde en de handvol passagiers zijn zichtbaar opgelucht. Nu is het nog een kleine afstand door de drukte van de stad. De chauffeur is duidelijk meer op zijn gemak dan net op de dijk. De fietsers die hem aan alle kanten voorbij razen, lijkt hem niet te deren. Hij lijkt stoïcijns in de ogen van de voetgangers, die hem vragend aankijken, want zij willen oversteken. Bij het centraal station van Nijmegen komt de bus tot stilstand. Godzijdank dat wij er zijn! Rond deze tijd van het jaar, wanneer het buiten fris aan het worden is en ik met mijn dubbelknoops zeemansjas in de bus zit, word ik loom door de warmte en heb ik het gevoel dat er een gebrek aan zuurstof is. Met kloppend hoofd sta ik op het grote plein voor het station. Een paar keer wapper ik met mijn jas om weer wat af te koelen. Dan schiet ik weer vol. De tranen rollen als warme druppels over mijn hoogrode gelaat. Wat eens zo vanzelfsprekend was lijkt nu zo ver weg. Daar sta ik  met mijn 52 jaar, als een kind te huilen. De vrouw, van mijn leeftijd, op zoek naar haar ware vader, kwam via onderzoek bij mijn vader uit. Hij zou zonder twijfel ook haar vader zijn. Dit zou blijken uit documenten die door hem zijn ondertekend. Mijn zus en ik stonden bloed af, voor een DNA-test. De vrouw bleek echter geen dochter van mijn vader te zijn. Er was niets van enig verwantschap te vinden en omdat haar moeder reeds overleden is, blijft er voor haar niets meer over dan te accepteren dat zij nooit zal weten, wie haar biologische vader is.  De schok voor mij kwam echter daarna. Niet lang nadat de vrouw het slechte nieuws had vernomen , kreeg ik te horen dat ik maar voor de helft verwant ben aan mijn zus! Wie had dat gedacht? Mijn vader is niet mijn biologische vader. Begrijp mij niet verkeerd, ik heb daar geen moeite mee. Net zo min als een paar jaar geleden, toen hij stierf. Nee, ik heb nooit een band gehad met mijn vader. Misschien had ik toentertijd al kunnen bedenken dat hij niet mijn echte vader was. Het is eerder de angst voor wat er staat te gebeuren: Ik moet mijn andere broers en zussen inlichten. Ik zal hen het nieuws moeten vertellen dat ik maar een halfbroer ben. Zelfs mijn achternaam kan in de prullenbak. Ik moet mijn vrouw en kinderen vertellen dat wij afstand moeten doen van onze familienaam, dat er weldra een andere naam voor in de plaats komt en dat hij toch niet hun opa was. Dát is het, waar ik zo tegenop zie. Alsof je identiteit een enorme dreun krijgt. De geschiedenis brokkelt voor de helft af, en dat gedeelte moet weer van de grond af aan worden opgebouwd. Nadat ik weer enigzins tot mijzelf gekomen ben, loop ik naar het station. Ik kijk vluchtig op de klok en er blijft nog tijd over om een koffie te kopen, voor in de trein. De wind jaagt over de perrons. Ik ga in een stevige looppas naar perron 1A. De trein naar Utrecht staat klaar. Eenmaal binnen twijfel ik doorgaans of ik beneden of boven ga zitten, in de dubbeldekstrein. Boven is het mij te benauwend, door de lage plafonds, en beneden is het te laag. Daar kijk je tegen de voeten van wachtende passagiers op het perron aan. Wanneer ik eenmaal besloten heb om boven te gaan zitten maak ik rechtsomkeert om beneden plaats te nemen, waar het toch beduidend rustiger is. Wetende dat de trein in Arnhem de andere richting opgaat, ga ik met mijn rug in de rijrichting zitten. Ik heb dan zo’n binnenpretje wanneer ik mensen de andere richting op zie zitten. Alsof ik de enige ben, die weet wat daar in Arnhem te gebeuren staat. Ergens halverwege de coupé neem ik plaats waar vier passagiers tegenover elkaar kunnen zitten. Nu zit ik er nog alleen, maar bij de volgende stations zal dit snel veranderen. Ik zet mijn beker koffie op het tafeltje en ik leg mijn jas naast mij neer. Op het moment dat ik de krant opensla, zet de trein zich in beweging. Van lezen komt niets terecht, want ik ben met mijn gedachten alweer bij het DNA-onderzoek. Natuurlijk nam ik direct contact op met mijn moeder. Ik legde haar de uitslag voor en er volgde een korte stilte  Eigenlijk wilde ik wachten totdat ik haar zou zien in het ouderlijk huis, maar dat soort geduld bezit ik nu eenmaal niet. “Nou, dat kan helemaal niet, hoor!” riep zij verontwaardigd uit. “Je vader is de enige man in mijn leven geweest.” Ik probeerde haar het een en ander duidelijk te maken maar zij hield voet bij stuk; het is onmogelijk. Het gesprek duurde nog geen vijf minuten en ik bel haar terug wanneer ik meer informatie heb. Vanmiddag om twee uur heb ik een afspraak met de verantwoordelijke arts in het UMC Zij zal mij dan, hopelijk meer duidelijkheid verschaffen omtrent deze mogelijke vergissing. De hele reis is aan mij voorbij gegaan. Intussen rijdt de trein het centraal station van Utrecht al binnen. De mensen die om mij heen zitten, zie ik nu pas voor het eerst. Zelfs mijn jas ligt op mijn schoot in plaats van op de stoelen. De koffie, in de meeneembeker is onaangeroerd. De hele mensenmassa gaat naar de uitgang en ik laat mij meevoeren door de waas waarin ik verkeer. Na een klein halfuur ben ik aangekomen bij het ziekenhuis. Mijn hart gaat vreselijk tekeer. Bang voor wat er komen gaat. Het is zover! De vriendelijke jongeman aan de balie knikt vriendelijk naar mij en vraagt of ik met hem wil meelopen. De ene gang na de andere. Eerst links, dan rechts, nog eens rechts en vervolgens weer naar links. De deur staar open. “Gaat u maar naar binnen, meneer.”Hij doet een stap opzij om de weg voor mij vrij te maken. De arts staat op en komt met uitgestoken hand op mij af. “Goedemiddag, gaat u hier maar zitten.” Onwennig kijk ik om mij heen voordat ik ga zitten. “Ik heb begrepen dat u nog vragen heeft over de uitslag?” zegt zij. Stotterend begin ik de woorden te vinden: “Kan het zo zijn, dat er met het onderzoek fouten zijn gemaakt? Ik bedoel, hoe zeker is het dat mijn vader niet de verwekker is?” De arts lijkt wel ietwat verbaasd en haar ogen worden groter. “Maar meneer, het gaat om uw moeder!”

Een reactie plaatsen

Verandering op komst

Soor: Frank Beuken

Koukab, Syrië 2012

Photo by Oscar Bergamin

Photo by Oscar Bergamin

Vandaag is de hitte ondraaglijk. Er lijkt maar geen einde aan het seizoen te komen. We hadden nu al lang regen moeten hebben, maar Allah heeft besloten om daar nog even mee te wachten. Het grootste deel van de dag blijven we binnen. Alleen vanmorgen vroeg ben ik nog even naar Aisha gegaan om te vragen wanneer de school weer begint. Dat is in deze tijd altijd onzeker. Niemand kondigt het aan.

Wij horen vaak via andere leerlingen dat de school alweer een paar dagen open is. Aisha heeft ook nog niets gehoord, dus kunnen we niet genieten van de airconditioning op school. Thuis is het sowieso veel te warm om iets te ondernemen. Zelfs mijn moeder is erbij gaan zitten. Zij is normaal gesproken altijd druk in de weer. In de vroegte gaat ze met de buurvrouw en mijn tante – die bij ons woont –  waar de wasbakken, twee straten verderop. Dan zet ze het eten voor de middag op en maakt zij het hele huis schoon. Elke dag opnieuw. Nu is het zo warm dat bij elke beweging het zweet van onze hoofden stroomt.

Baba is zoals gewoonlijk in Damascus. Hij verdient daar zijn geld als krantenverkoper in het centrum van de stad. Bij ons thuis zijn wij allen Soennieten, zoals de meesten in het dorp. Dan moet je het meestal doen met de mindere banen. De president zorgt erg goed voor zijn eigen volk, de Alawieten. En iedereen van zijn Baathpartij krijgen de beste functies.Toch is mijn vader gelukkig met zijn werk. Tenminste, zo laat hij het voorkomen wanneer hij na drie weken weer eens thuiskomt. Dan heeft hij van alles meegenomen wat wij hier in het dorp niet hebben. Veel kant-en-klaarvoedsel uit blikjes. Je maakt het open,je warmt het op en klaar is het eten. Hij vindt dat een prachtige uitvinding! Hij denkt dat mijn moeder daar blij mee is, maar de voorraadkast staat er vol mee. Mijn moeder wil hem de blijdschap niet ontnemen en daarom zegt zij de waarheid niet. Zij is anders opgevoed. Voor haar bestaat er buiten het dorp niet veel meer. Haar hele leven bestaat alleen uit de paar straten die ons dorp rijk is. Ik heb haar vaak genoeg gevraagd waarom zij niet wat meer wil zien. “Weet je, lieve Zahra”,begint zij.“Ik heb nooit gestudeerd. Ik ben nooit naar school geweest. Dat kon toen niet omdat elk kind bij ons belangrijk was om op tijd de oogst binnen te halen. Lang heb ik het jammer gevonden, maar nu niet meer. Het is ook mijn redding geweest. De honger naar het ontdekken heb ik niet. Ik ben tevreden hier. De mensen kennen mij en ik ken de mensen. Dat is voor mij voldoende. Jullie vader is een heel andere jeugd beschoren geweest. Hij was altijd nieuwsgierig naar meer. Wat is er verder in het land? Hoe zijn de mensen uit de stad? Kunnen Soennieten net zo zijn als Alawieten en andersom? Omdat hij zo’n open man is, kan hij met iedereen overweg. Hij heeft zijn ouders gedwongen, hem te laten studeren. Zijn oudste broer, jullie oom Ahmad, heeft altijd keihard gewerkt. Ten eerste om zijn familie te onderhouden en ten tweede om jullie vader te laten studeren,” zegt ze als zij voor de zoveelste keer een koelere plek in het huis zoekt. “Hij is zelfs in Egypte geweest tijdens zijn studie. Zijn passie was onderzoek doen naar de oudheid, terwijl wij hier de oudste stad van de wereld hebben! Damascus bestaat al zeker vijfduizend jaar!”

Zij vervolgt “Met archeologie dacht hij iets te kunnen bereiken maar hier in Syrië zijn er minder mogelijkheden. Een jaar lang was hij in het Dal der Koningen om mee te werken aan een onderzoek naar de vele Farao’s die daar hun laaste rustplaats kennen. Maar moet je nu zien. Nu verkoopt hij kranten aan de mensen in de stad. En hij is er blij mee!” daarbij zorgelijk kijkend, omdat zij de waarheid kent. “Je vader had veel liever een baan willen hebben op de universiteit.”  Ze slaat haar ogen even neer. “Waarom denk je dat, mama?” “Weet je lieve Zahra, binnenkort ga je naar Damascus omdat je vader er alles aan heeft gedaan om jou op de universiteit te krijgen waar je dus gaat studeren. Waarom denk je dat hij dat zo graag wil?” Zij kijkt me indringend aan. “Omdat hij dat liever zelf had willen doen?” vraag ik vertwijfeld. Zij pakt mij vast en geeft een kus op mijn voorhoofd. “Zo, lief, nu ga ik wat doen, want intussen is het al weer een beetje afgekoeld.” Zij zoekt steun bij mij om op te staan. Die arme vrouw, denk ik. Het is zo moeilijk te zien of ze nu echt gelukkig is of dat zij altijd maar doet alsof. “Ik weet wat je nu denkt!”, roept mijn moeder vanaf het balkon. “Dat heb je van je vader! Altijd geeft elke situatie je weer nieuw vragen! Inshallah, Zahra, mag ik dit leven houden wat ik nu heb!” Alsof zij mijn gedachten kan lezen.  Een keer is zij met Baba meegegaan naar Damascus omdat hij dat zo graag wilde. Temeer om op bezoek te gaan bij haar familie waar er veel van in de stad wonen. Die ziet zij anders nooit. Ja goed, met het suikerfeest komen zij wel naar ons dorp maar dat is het dan ook. Nu kwam hun zus naar de grote stad. Baba vertelde dat hij in jaren niet zo gelachen heeft. Hoe zij hem vastklampte door de straten van Damascus. Hoe vaak ze gilde van angst als er een bus voorbijkwam of een ander groot voertuig. “Het is jaren geleden dat jullie moeder mij zo stevig heeft vastgehouden!” sprak hij luid.

Dus ik heb het echt te danken aan Baba dat ik kan gaan studeren? Vorig jaar heeft hij mij en mijn broer meegenomen naar Damascus om de universiteit te laten zien. “Nog even, kinderen, en dan gaan jullie hiernaartoe!” Jullie zullen de mooiste tijd van het leven leren kennen!” sprak hij trots. Alles is al geregeld. Wij gaan bij mijn oom en tante wonen. Zij hebben een woning op ongeveer een uur met de bus van de universiteit. En nu is het dan al bijna zover. Nog geen jaar meer en dan zullen we lang niet in ons dorp komen. Alleen na de ramadan. Een keer per jaar dus. Ik zal het allemaal wel heel moeilijk gaan vinden om zo een lange tijd van mama weg te zijn, maar het studeren lonkt. Ik ga in ieder geval niet alleen want Yassin, mijn broer, gaat mee en als ik geluk heb dan gaat Aisha ook mee. Zij doet er op het moment alles aan om haar ouders te overtuigen dat zij moet studeren. Misschien gaat het haar nog lukken ook want haar vader heeft al gesproken met Baba over hoe hij het allemaal gaat regelen. Wat zou ik Allah dankbaar zijn wanneer het kan. Ik bid elke dag voor haar. Zij is mijn vriendin sinds dat wij kinderen zijn en haar zal ik dan nog het meest missen.

Vannachter de bergen klinkt een zwaar gebulder. Donderslagen die dichterbij lijken te komen, maar waar ik ook kijk, ik zie geen donkere wolken die zich samen pakken. Normaal gesproken is dit het tafereel wat volgt op de luide knallen van het onweer. Een aankondiging dat het gaat regenen. Nu is de hemel echter helder…

Einde

, , ,

1 reactie

Reizen in het jaar 1841 met Barend Cornelis Koekkoek

Barend Cornelis Koekkoek

Barend Cornelis Koekkoek

In Augustus 1841, besloot B.C. Koekkoek, de meest bekende en succesvolle landschapschilder van de 19de eeuw, een rondreis te maken vanuit zijn woonplaats Kleve richting Düsseldorf, Limburg aan de Lenne, Remagen, Ahrweiler tot Altenahr. Van deze reis hield hij een zeer gedetailleerd dagboek bij: “Herinneringen en Mededeelingen van eenen Landschapschilder.” Dit verslag gaat over de eerste dagen van zijn reis.

Barend Cornelis (geboren te Middelburg op 11 oktober 1803 – overleden te Kleve 5 april 1862), zoon van Johannes Hermanus Koekkoek is na een aantal omzwervingen door Nederland, terechtgekomen in het stadje Kleve aan de Niederrhein gelegen. Het landschap trok hem aan en hij besloot zich hier te vestigen. Zijn rijkdom vergaard door zijn prachtige schilderijen, liet hij eerst Belvèdére bouwen en vervolgens zijn woonhuis wat nu het Museum Haus Koekkoek is.

Belvédère

Belvédère Bron: Haus Koekkoek

Stadtspaleis

Stadtspaleis Bron: Haus Koekkoek

Op een mooie dag in Augustus van het jaar 1841, vertrok Barend Cornelis, samen met drie vrienden: Herman, Rudolf en Karel naar Emmerich am Rhein om daar de stoomboot te nemen richting Dusseldorf. Met de postkoets (het openbaar vervoer van toen) reden zij vanuit Kleve in de richting van de veerdienst aan de oever van de Rijn om zich naar de overkant te begeven.

De route die zij toentertijd aflegden is enigszins hetzelfde als tegenwoordig. Vanuit het plein Koekkoek Platz, voor zijn vroegere woonhuis in de richting van het huidige treinstation. Via de Herzogbrücke, Herzogstrasse en aan de overkant van het spoor verder op de Vandenberghstrasse richting Emmericherstrasse.
Met de auto kun je vanaf Haus Koekkoek bij de eerste rotonde de 2de afslag nemen. Bij de tweede rotonde de 3de afslag en bij de 3de rotonde de 2de afslag. Dit is de Emmericherstrasse. De B220. Deze voert door Kellen en vervolgens Warbeyen. Tot daar is alles bij het oude gebleven. Deze lange weg met links en rechts de eindeloze rijen van populieren maakte een grote indruk op hem.  Die bomen van toen waar Koekkoek over schreef zijn bijna allemaal vervangen door nieuwe populieren. Om de route verder te kunnen vervolgen zoals de postkoets reed kun je bij de verkeerslichten in Warbeyen naar rechts en vervolgens links. De Kropsestraat. Deze gaat tot aan de Oranjedijk (Oraniendeich). Op de dijk, rechtsaf en dan de eerste links. Daar ligt reeds de aanlegsteiger van de vroegere veerpont. De overtocht duurde in die tijd 15 minuten.

Rijnveer

Rijnveer Bron Lokal Kompass

Eenmaal aangekomen aan de overkant was het nog wachten op de stoomradarboot uit de richting Arnhem. Vele uren hadden zij de Rijn stroomafwaarts in de gaten gehouden naar de aankomst van de in 1839 gebouwde hoogstmoderne boot de Yssel. Meerdere schepen zagen zij aan de horizon maar allen voeren aan de Emmerichse haven voorbij. Het werd duidelijk dat het wachten de sfeer niet ten goede kwam. Meerdere passagiers begonnen te klagen. De vele hutkoffers en zakken met goederen en kleding stonden  klaar aan de brug om ingeladen te worden. Niemand van de haven kon uitsluitsel geven. Ook bij Barend en zijn vrienden begon het geduld op te raken. In plaats van de ergernis sloeg het cynisme toe. In zijn dagboek gaat hij uitgebreid in op de vreemde uiterlijkheden van de vele passagiers. Een lange magere man die van top tot teen gekleed was in het wit en goed door zou kunnen gaan als boeman of bullebak. “Zijn hoofd geheel bedekt door een grote witte hoed was alleen zichtbaar door een fameuze haviksneus, ingekaderd in een rondom het gelaat gaande harige lijst à la Renaissance waardoor deze neus zo bijzonder goed uitkwam dat men in twijfel was of men zich om de buitengewone grootte of hoog rode kleur moest verwonderen (!).” Deze man werd gevolgd door een bediende die om het contrast met zijn meester te vergroten nauwelijks de lengte had van vier amsterdamse voet (120 centimeter). “Wat de natuur hem in de lengte niet heeft gegeven heeft hij in de breedte ruimschoots goedgemaakt”, aldus Koekkoek. Meerdere personen moesten het ontgelden. Over een heer en twee dames zegt hij: “Deze deftige luitjes schijnen Hollanders te zijn. Zij spraken echter frans, maar een pseudo-frans, een hollands-frans, een afschuwelijk frans zoals in het vaderland dikwijls wordt gesproken wanneer de personen een soort van waardigheid aan hun minder waardige ik willen bijzetten.” Iedereen wordt zeer kritisch omschreven door Barend Cornelis en gelooft u mij, hij had geen goed woord over voor alle passagiers. Het is duidelijk dat de irritatie op dat moment al zijn hoogtepunt heeft bereikt. Toen Barend en zijn kompanen iedereen uitvoerig beschreven had pakte hij zijn schetsboek en tekende de aanlegsteiger van waar het schip hun richting Dusseldorf zou brengen. Een houten brug die leunde op een ponton of bootje. De hoop dat het schip nog zou aanmeren werd steeds kleiner en de dag had reeds plaatsgemaakt voor de nacht.

Stoomschip in Emmerik 19de eeuw

Stoomschip in Emmerik 19de eeuw Bron: Kurhaus Kleve, Verzameling Robert Angerhausen

Zij konden niet anders dan de nacht doorbrengen in Hotel des Pays-Bas in Emmerich en hoopten dat zij de volgende dag meer succes zouden hebben.

Omdat de schilder het alleen maar heeft over Hotel des Pays-Bas, werd ik toch enigszins nieuwsgierig waar dit hotel zou kunnen zijn. Het internet heeft mij niet kunnen helpen en rondvragen gaf geen enkel respons. Ik ben naar Emmerich gereden om op onderzoek uit te gaan.

Bij de VVV wist men niet waar ik het over had, behalve mij naar een hotel te verwijzen wat het Hof van Holland heet. Deze bevindt zich aan de Rijnkade. Zij gaf mij nog een foldertje mee over de geschiedenis van Emmerich. Bij het hotel aangekomen was de teleurstelling groot. Een gebouw uit de jaren 50 van de 20ste eeuw. Ik ben maar even gaan zitten en begon het foldertje door te nemen. In de 19de eeuw bezat Emmerich maar een hotel en dat was toch echt het Hof van Holland. Toen ik wat verder liep wilde ik toch nog even de achterkant van het gebouw bekijken. Door een poort kom je op de Alte Markt. Deze poort was al van de 16de eeuw maar deze heeft men in de 19de eeuw bijna helemaal afgebroken om grotere wagens doorgang te geven tot de haven. Na WOII heeft men deze poort weer in ere hersteld. Op de Alte Markt ziet men een prachtig gebouw met een mooie trapgevel naar nederlandse architectuur. Hier staat ook Hof van Holland op maar dit keer is het gebouw gedateerd van 1650! Met de wijsheid in pacht dat er in de 19de eeuw maar een hotel was in de stad zou dit het toch echt moeten zijn. Helemaal aan de top staat het jaartal 1957. Dit was het jaar dat het gebouw weer opgebouwd is nadat 97% van de stad verwoest was door de bombardementen op 8 mei 1945.

Hof van Holland

Hof van Holland

Omdat ik toch meer zekerheid wilde hebben ben ik naar het Rheinmuseum gegaan. De man aan de balie kon mij niet veel vertellen maar nadat hij een archivaris en de bestuurder van het museum erbij riep kon de bevestiging al gauw gegeven worden. Een van hen ging op zoek naar foto’s van eind 19de eeuw en daar werd het allemaal duidelijk. Voordat het Hof van Holland heette droeg het de naam Hollandsche Hof en daarvoor Hotel Hollande. Met de franse naam uit 1874 is de stap naar Hotel des Pays-Bas snel gezet. De leidinggevende heeft mij toegezegd om een beeltenis op te zoeken van het hotel in het jaar 1841. Daarmee wordt dan nog maar eens bevestigd dat ik het hotel uit het dagboek van Barend Cornelis Koekkoek heb gevonden.

Hotel de Hollande

Hotel des Pays – Bas. Marktplaats zijde Bron: Rheinmuseum Emmerich

Hotel des Pays-Bas. Rijnkade zijde

Hotel des Pays-Bas. Rijnkade zijde Bron: Rheinmuseum Emmerich

Toen zij de volgende dag vol verwachting aan de Rijn stonden en in de richting keken van waar het schip zou moeten komen werden de meeste passagiers wederom onrustig. Er was nog geen rook aan de horizon te zien en de klok had reeds tien uur geslagen. De tijd dat het schip zou moeten aanmeren. Het duurde echter tot half twaalf voordat zij aan eindelijk boord konden gaan van het inmiddels gearriveerde stoomschip “De Drusus” van de Rijn IJssel Maatschappij. Genoemd naar de romeinse veldheer Nero Claudius Drusus. Hij zou opdracht hebben gegeven voor de verbinding tussen de Rijn en de Ijssel.

De stuurman verontschuldigde zich bij Barend Cornelis voor de vertraging. Het was later, kapitein H. Brouwer die tekst en uitleg gaf  over de problemen die zij onderweg hadden meegemaakt:” Het oorspronkelijke Stoomschip de IJssel dat eigenlijk gisteren aan moest komen heeft motorproblemen gekregen bij Arnhem. Het werd niet meer verantwoord geacht om door te varen en het schip moet in de haven worden gerepareerd.” Veel passagiers waren niet zo te spreken over dit Stoomschip De Drusus. Het was ouder en trager dan het schip waar zij eigenlijk mee hadden moeten gaan. De vrienden lieten zich niet uit het veld slaan en stapten vol goed moed aan boord.

Stoomschip De Drusus

Stoomschip De Drusus Bron: Historisch Museum Deventer

Het schip voer reeds in volle vaart stroomopwaarts en het laatste wat zij nog hoorden van Emmerich waren de klokken van grote kerk die het middaguur aangaven. Het weer onderweg was goed en de schilder schetste in het voorbijgaan nog gedeeltes van Xanten en Rees. Vanaf dan is de reis naar Dusseldorf goed verlopen.

Datzelfde schip, De Drusus, is nog geen half jaar na deze ervaring ook in de problemen gekomen. Op 20 maart 1842 ter hoogte van Worringen, Duitsland  is er brand uitgebroken in de machinekamer en zijn drie bemanningsleden om het leven gekomen. Drie andere zijn met brandwonden opgenomen in een verzorgingshuis in Dusseldorp. Het schip was onderweg van Kampen naar Keulen. Op dat moment waren er “maar” 11 mensen aan boord. Het had erger af kunnen lopen wanneer er veel passagiers aan boord waren geweest. De passagiers roemden de kapitein voor zijn goede en adequate inzet, aldus de Nederlandse krant van 25 Maart 1842.

Ongeveal De Drusus

Ongeval De Drusus

Helemaal onderaan dit artikel zijn, voor de geïnteresseerden, nog berichten van duitse kranten over het ongeval met de Drusus.

In zijn dagboek Herinneringen en Mededeelingen van eenen Landschapschilder spreekt Barend Cornelis wederom zijn lichte irritatie uit voor de vertraging die zij hebben opgelopen in “Emmerik”. Ook het feit dat het schip trager was dan het schip waarmee zij eigenlijk zouden varen wordt hier ook weer uitgesproken. Helemaal omdat zij onderweg naar Dusseldorf ingehaald werden door De IJssel.

Op de markt in het centrum van Dusseldorf, tegenover het standbeeld van Hertog Johann Wilhelm te paard bevond zich het imposante hotel “In de Drie Rijkskroonen” (Zu den drei Reichskronen) aan de Marktplatz nummer 5. (Koekkoek spreekt in zijn dagboek over De Drie Kroonen). Omdat het hotel in de nabijheid lag van de aan- en afvaartplaats voor alle stoomschepen zijn Barend Cornelis en zijn drie vrienden waarschijnlijk te voet gegaan.

In de Drie Rijkskroonen

In de Drie Rijkskroonen

Het hotel werd toentertijd uitgebaat door de heer Christian Beeking. Onder zijn leiding heeft het hotel onderdak geboden aan koningen, hertogen en vele andere hoogwaardigheidsbekleders. Geschreven voorbeelden hiervan zijn: prins Lodewijk Bonaparte en zijn ontmoeting  met de kroonprinses van Pruisen uit Keulen. De componist Mendelssohn komt aan op 25 September 1833 voor het bijwonen van een burgemeestersoverdracht. Op het internet zijn verschillende lijsten beschikbaar van de vooraanstaande gasten.

Van het hotel is na de tweede wereldoorlog niets meer overgebleven. Op deze lokatie staat nu een groot gebouw uit de jaren 50 wat dienst deed als Stadtamt. Gezien de historische waarde van hotel In de Drie Rijkskroonen in de toenmalige verblijfplaats van koning Frederik had men er beter aan gedaan om het te herbouwen. Het enige wat overgebleven is is het voetstuk van een heilige; Johannes Nepomuk op de hoek van de Marktplatz en Zollstrasse. Op dit voetstuk staat de naam van de voormalige bezitter vermeld: C. Beeking.

De zaken die zij nog in Dusseldorf te verrichten hadden zou in een half uur gedaan kunnen zijn en hun bezoek aan de kunstacademie lieten zij aan zich voorbijgaan omdat het weer te mooi was om binnen te zijn. Aan tafel bezonnen zij zich om niet de diligence van een uur te nemen maar een andere mogelijkheid om reeds in de ochtend te vertrekken naar Elberfeld, hun volgende bestemming.

Typische rijtuigen van de 19de eeuw

Typische rijtuigen van de 19de eeuw

Juist toen zij besloten hadden om eerder te vertrekken kwam de kastelein, heer Beeking, op hen toegelopen. “Heren, mag ik u mijn rijtuig aanbieden om Dusseldorp te bezichtigen?” De vier vrienden keken elkaar vluchtig aan en waren het dan ook snel eens dat dit een prima idee was.  In korte tijd zaten zij in de rijtuig van de heer Beeking.

De stad maakte een goede indruk op de schilders. Zij moesten toegeven dat Dusseldorp veel te bieden had. De mooie huizen, de pleinen en de stadsvijvers waren een lust voor het oog. Het enige waar Barend Cornelis een iets uitgebreider verslag van doet is de Kunstacademie. Zij hebben daar kort voorgestaan en het vluchtig bekeken. De afbeelding is de academie zoals deze er toentertijd uitzag. Dit was in het voormalige keurvorsten kasteel Am Burgplatz. De kunstacademie zetelde daar van 1819 tot 1872 toen het door brand verwoest werd. Pas vanaf 1879 werd de nieuwe kunstacademie geopend in het gebouw waar het vandaag de dag nog steeds is.

Kunstacademie 1829

Kunstacademie 1829 Bron: Stadsarchief Dusseldorf

Kunstacademie 1890

Kunstacademie 1890 Bron: Stadarchief Dusseldorf

Een andere kunstenaar (20ste eeuw) uit Kleve, Joseph Beuys  werd in 1972 door het toenmalige hoofd van de academie, Johannes Rau ( ex-president van Duitsland) op staande voet ontslagen omdat hij de numerusclausus overtrad. Zijn professortitel werd hem afgenomen. Dit bleek later onterecht en Beuys werd weer in ere hersteld.

In het begin van de middag vertrokken Barend Cornelis, Herman, Karel en Rudolf uit Dusseldorp omdat een van hen zich wist te herinneren dat een apart gereserveerde postkoets net zo duur is als de gangbare diligence van een uur ‘s middags.

Zij verlieten de stad in oostelijke richting. Het ging eerst bergopwaarts en nadat Dusseldorp van het zicht ontrokken was vervolgden zij de reis door een klein dal. Het eerste plaatsje waar de tocht langsvoer was Gerresheim. Tegenwoordig een stadsdeel van Dusseldorf. De reis duurde in totaal een maand. Via Hagen, Keulen en Bonn trokken zij verder naar Remagen, Marienthal, Altenahr.

Het volledige verslag verschijnt binnen afzienbare tijd.

Bronnen: Stadsarchieven Kleve, Emmerich en Dusseldorf. Historisch Museum Deventer en Scheepvaart museum Kampen.

Met een bijzondere dank aan Judith Selter van het Rheinmuseum in Emmerich.

Krantenartikelen over het ongeval met de Drusus:

Drusus DuitseKranten Rheinmuseum Drusus DuitseKranten Rheinmuseum (2) Drusus DuitseKranten Rheinmuseum (3) Drusus DuitseKranten Rheinmuseum (4)

, , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

%d bloggers liken dit: