Archief voor Categorie Korte verhalen

De man en de herfst III

Door Frank Beuken

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Afghanistan? Maak je nu een grap? Daar is het toch hartstikke gevaarlijk? Jezus, Kees, zeg dat dit een geintje is.” “Luister,”zegt hij op zeer bedaarde toon. “Ik zal je de details in de loop van de week geven. Praat erover met je vrouw. Je kunt mij een antwoord geven wanneer jullie het erover eens zijn, of niet natuurlijk. Maar niet later dan begin volgende week graag. Overigens, maak je geen zorgen. Je komt niet eens in de buurt van de Taliban of welke strijders dan ook. Je blijft veilig op het militaire kamp waar Nederlanders en Duitsers gestationeerd zijn.” “Duitsers!? Ook dat nog! Alsof de Taliban al niet erg genoeg is!” zeg ik gekscherend. In dit soort situaties waar belangrijke beslissingen genomen moeten worden begint mijn gevoel voor cynisme op te spelen. De chef is er duidelijk niet van gediend en zijn gezicht blijft strak in de plooi. “Sorry, Kees. Ik ga er serieus over nadenken en het met Pauline en de kinderen overleggen.” Kees en ik staan gelijk op en hij dirigeert mij het kantoor uit. Met zijn hand op mijn schouder en een genoegdoenend knikje loopt hij mee tot aan de deur. Hij klopt mij nog een paar maal op mijn schouder en steekt de duim van zijn andere hand omhoog. Ik loop met een teneergeslagen houding naar mijn kantoor en ik heb het gevoel dat iedereen mij aan zit te staren. Zonder op of om te kijken neem ik plaats aan mijn bureau en ik werk verder aan mijn verslag. Echt lang duurt het niet. Het voorstel van Kees houdt mij teveel bezig. Ik besluit naar mijn collega en vriend Bas te lopen en hem mee te vragen voor een kop koffie buiten de deur. Ik draai mij om en daar staat hij al achter mij. Bas is een goede vriend. Hij en zijn vrouw Iris komen regelmatig bij ons. Zij willen de stad dan ontvluchten en komen dan naar de Ooypolder om tot rust te te komen. Doorgaans logeren zij dan bij ons. Bas en ik zaten bij elkaar in de klas van de havo in Utrecht. Wij hebben altijd contact gehouden, Pauline en Iris kunnen het ook goed met elkaar vinden. Wij zien elkaar dus regelmatig. “Kom, Bas!” zeg ik vastbesloten. Ik sta op en neem mijn jasje van de rugleuning van de stoel. “Wij gaan koffie drinken. Ik wil jouw mening horen over het voorstel van Kees.” “Wat dan?” vraagt hij verwonderlijk. “Kom, laten wij naar buiten gaan. Ik vertel het je onderweg.” Vijf minuten later staan wij buiten. In de lift heb ik geen woord tegen Bas gezegd. Ik kan het voorstel nog niet plaatsen. Ik verkeer in een soort roes. Op je veertigste zie je al veel sneller de nadelen van dit soort avonturen. Een twintigjarige zou zo’n kans gelijk aangrijpen, en pas ter plekke de nadelen ervan ondervinden. Spijt en heimwee kunnen de tijd aldaar tot een hel maken. Op mijn leeftijd word je voorzichtiger. Natuurlijk is het spannend, maar ik besef terdege dat het ook een zeer vervelende tijd worden kan. Een man zoals ik, met een vrouw en kinderen, blijft zelf ook een groot kind maar naarmate je ouder wordt krijg je toch meer verantwoordelijkheidsgevoel. Onderwijl Bas en ik koffie drinken vertel ik hem het hele verhaal. “Maar dat is toch fantastisch nieuws, Jan-Willem?” roept hij uit. “ Nou, nou, Bas er komt natuurlijk wel veel bij kijken. Misschien vindt Pauline het een belachelijk idee of misschien huilen de kinderen bij het nieuws, alhoewel.. mijn zoon zal dit als een buitenkans zien om zich meer vrijheden toe te eigenen. Pauline is wat makkelijker met het toegeven aan Robbie. Vooral wanneer hij zijn smekende blik uit de kast haalt. Anne is klein en zal het niet zo begrijpen. Zij beseft het  waarschijnlijk pas wanneer ze mij mist.” Kom op, Jan-Willem! Ik heb het gevoel dat je het hele plan al bij voorbaat afschiet, zogenaamd omwille van je gezin. Volgens mij doe jij je het in je broek van de angst. Je durft niet te gaan. Geef dat nu maar toe.” Ik zucht eens diep en knik bevestigend. “Je zult wel gelijk hebben, Bas maar toch zegt er iets in mij dat ik het moet doen.” “Het is natuurlijk wel een hele carrièresprong” zegt Bas. “Weet je, laat het nu eerst even bezinken. Vanavond bespreek je het eerst met Pauline en wanneer zij hier positief op reageert dan spreek je met de kinderen. Misschien heb je wel even kortstondig met een drama te maken, maar dit zijn buitenkansen, vriend. Je hebt in het verleden wel vaker gezegd dat je graag het avontuur zou willen opzoeken in het buitenland. Nu, dit is je kans. Grijp het met beide handen aan, jongen. Volgens mij krijg je later spijt wanneer je het zou afwijzen.” Ik kan eigenlijk niet meer doen dan Bas gelijk te geven en ik stel hem voor om terug naar kantoor te gaan. “Laat mij betalen, Bas. Deze krijg je van mij.” Hij slaat zijn arm om mijn schouders en wij glimlachen tevreden. Op kantoor bedank ik hem voor zijn luisterend oor en zijn raad. “ Al goed, man! Daar zijn vrienden voor.”

De rest van de dag heb ik aan niets anders meer gedacht. Zelfs de hele reis terug naar Nijmegen is compleet aan mij voorbijgegaan. Het laatste deel op de fiets haalde mij weer uit de roes van overpeinzingen. Onderweg ben ik afgestapt bij een bankje tegenover de Vlietberg. Ik zette mijn fiets tegen de zijkant van het net geschilderde bankje en nam plaats op de rugleuning, met mijn voeten op het zitgedeelte. Ik wreef een paar keer in mijn gezicht, haalde een aantal keer diep adem en boog voorover. Zo heb ik zeker een kwartier gezeten, alvorens ik de weg naar huis weer hervatte.

Pauline was al zeker een uur of twee geleden thuisgekomen. Zij schrok wat van mijn binnenkomst: “Jeetje, schat wat zie jij bleek! Gaat het wel goed met je?” “Ja, ik geloof het wel ja” en ik hoorde de diepe vertwijfeling in mijn eigen stem. “Ik vertel het je na het eten wel. Het is niets ernstigs, hoor.” Haar gezicht neemt de vorm aan van een zorgelijke echtgenote.“Kom!” Zij pakt mij bij mijn arm. “Je zult wel honger hebben.” Ik zucht even diep en loop gewillig met haar mee.

Advertenties

Een reactie plaatsen

De buurman

Door Frank Beuken

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Luister, meisje! Nu moet het echt afgelopen zijn met die bal! Dit is al de zoveelste keer deze week dat jij hem over de schutting schopt! Dit is de laatste keer! Heb je mij begrepen?” Anne krijgt een rood hoofd en knikt. “Sorry, buurman, en zij draait zich geschrokken om. De buurman kijkt haar nog na en krabt wat achter zijn oor. Hij weet dat de moeder van het meisje al een lange tijd ziek is. Ben ik misschien te streng voor haar geweest? vraagt hij zich af. Hij gaat verder met het bij elkaar harken van de bladeren. Amper vijf minuten later komt de bal weer over de schutting, en deze keer valt de prachtige terracottapot met zeldzame varens, aan diggelen. De buurman wordt boos: “Nu ben je echt te ver gegaan, Anne! Ik snijd de bal in…” Verschrikt kijkt hij Anne aan. Zij heeft zich op het gras laten vallen en begint hard te huilen: “Ik ben zo bang!” roept zij uit. De buurman klimt zonder aarzelen over de schutting en vraagt aan haar wat er scheelt. Het meisje huilt aan een stuk door, totdat de buurman haar optilt en haar troost. Anne komt tot bedaren en vertelt dat haar moeder die morgen is overleden.

Een reactie plaatsen

De man en de herfst II

Door Frank Beuken

Herfst 2

Ik stal mijn fiets in het gereserveerde hokje. De trein is precies op tijd en we hebben godzijdank nog geen vertragingen gehad, maar dat verandert in de herfst beslist. Mijn chef heeft er dan alle begrip voor dat ik te laat kom, zegt hij, maar zijn kritische blik vertelt mij wat anders. De trein zet zich in beweging en vandaag wil ik even niets lezen. Ik leun met mijn elleboog op het kleine tafeltje boven de prullenbak en ik staar naar buiten. Overal zie je de drukte van forensen die alle richtingen op reizen. De trein zet zich, na een kort fluitsignaal van de conducteur, langzaam in beweging. Ik zit met mijn rug naar de rijrichting toe. Niet dat ik dat prettiger vind. Integendeel, maar over drie stops komen we aan in Arnhem en van daaruit begeeft de trein zich in de omgekeerde richting en dan zit ik dus goed. Had ik dat niet gedaan dan zat ik nu de hele reis achterstevoren want in Arnhem is de trein al overvol en zou ik niet meer van plaats hebben kunnen ruilen. Na een korte stop op het station Ede-Wageningen komt er een meisje tegenover mij zitten met een koptelefoon op, druk aan het typen op haar smartphone. Helemaal weg van deze dagelijkse sleur. Ik heb het ook eens geprobeerd om met een koptelefoon op door het verkeer te gaan, maar ik raakte lichtelijk in paniek omdat ik de omgevingsgeluiden niet meer horen kon. Het meisje is, onderwijl zij driftig doorgaat met typen, met haar voet aan het meetikken op de maat van de muziek. Dat zij het juiste ritme heeft, weet ik omdat zij niet de enige is die de muziek hoort. Ik word wreed verstoord door een trap tegen mijn knie. “Hee! Hee, man, kijk naar wat anders!” snauwt ze mij toe. Ik schud mijn hoofd een paar keer en ik knipper met mijn ogen. “O, sorry! Ik had het niet in de gaten dat ik je aanstaarde. Dat schijn ik wel vaker te doen.” Wat mij aan haar opvalt zijn de proporties van haar gezicht. Ze heeft een smal gelaat maar haar bril met een dik zwart montuur bedekt bijna de helft van haar gezicht. De grote plus lenzen laten haar ogen nog groter uitkomen dan ze in werkelijkheid zijn. Het krijgt bijna een buitenaards uiterlijk. “Het spijt mij,” voeg ik er nog aan toe. Ze probeert mij wat gerust te stellen: “Het is al goed joh! Ik heb je overigens wel vaker in deze trein gezien.” “In deze trein?”, antwoord ik verbaasd. Ik begon mij terdege af te vragen of zij precies weet welke treinstellen er allemaal zijn. Sommige mensen bezitten dat soort gaven. “In de trein naar Utrecht!”, zegt ze omdat een reactie van mij uitblijft. Ik steek mijn hand naar haar uit. “Ik ben Jan-Willem.” Zij neemt de moeite niet of vindt het vreemd om mij een hand te geven, maar zij verraadt mij wel dat ze Nathalie heet. “Ik ken een liedje met de titel Nathalie, uit de zestiger jaren. Ik meen dat Gilbert Bécaud het zong.” “Nope”, zegt ze ongeïnteresseerd. “Nog nooit van gehoord.” “Ik ben een zeer slechte zanger anders had ik het lied voor je gezongen.” Daarbij trek ik een onnozel gezicht. Een klein lachje verraadt dat zij het wel goed vindt dat ik niet ga zingen. We arriveren op Utrecht–Centraal en zij staat op. “Ik ga het liedje opzoeken, hoor! Doei!” En weg was zij. Nu vraag ik je. Eerst laat zij mij duidelijk haar desinteresse blijken in een lastige man zoals ik, dan is zij toch nieuwsgierig geworden. Of is het om mij niet met een rotgevoel te willen achterlaten?

De trein rijdt het station Amsterdam-Amstel binnen. Nog een wandeling van tien minuten en dan begint de werkdag weer. Bij het verlaten van de trein merk je de straffe wind. Het is ook duidelijk kouder dan in het oosten van het land. Soms kan dat vijf hele graden schelen. “Zo Jan-Willem, heb je de reis weer overleefd?” De portier in het glazen hokje heeft, zoals gewoonlijk, een goed humeur. Hij doet mij denken aan een hagedis in zijn terrarium. “Ja, Dirk ik spreek je straks nog!” “Jan-Willem! Wacht even! Heb je nog aan mijn spullen gedacht?” “Volgende week, Dirk! Ik heb van het weekend geen tijd gehad. Tot vanmiddag!” Ik snel naar de liften toe. De koffiejuffrouw, Ans, probeert het karretje vol met thermoskannen en kopjes de lift in te duwen, maar de kleine draaiwieltjes willen niet meewerken. Ik snel mij tussen het karretje en de liftdeuren door en til het onding even omhoog zodat een van de wieltjes niet meer blijft steken tussen de bewegende drempel. “Bedankt, schat!” Het ielige, afgeknepen stemmetje gaat door merg en been. Zij is een echte Mokumse en zij heeft altijd haar woordje klaar. Ik knik vriendelijk, kijk vervolgens naar het plafond van de lift en ik hoop dat het contact hier uitblijft. Het is een heel vriendelijke dame van rond de zestig jaar, maar op de vroege ochtend ben ik niet tegen haar opgewassen. Ik woon al te lang aan de oostkant van het land. De Nijmeegse mentaliteit lijkt in veel opzichten op de Brabantse mentaliteit, ondanks dat het in Gelderland ligt. In de ochtend houden zij van rust en spreken elkaar niet zo vlot aan.

Op de zesde verdieping stap ik uit de lift. Nog een minzaam lachje voor de koffiejuffrouw en ik loop zo snel mogelijk naar mijn bureau. “Volgende keer wat vriendelijker graag!” klinkt het luid en schel uit de lift voordat de deuren weer dichtgaan. Daarna zei zij nog iets, maar dat was niet meer te verstaan.

Het proces van het begin van de werkweek is begonnen. Ik neem plaats aan mijn bureau en schakel de computer aan. Ik luister de berichten af van het antwoordapparaat. Niets bijzonders. Links van mij ligt een stapel papier met berichten die uitgewerkt moeten worden en de mailbox zit op maandag doorgaans vol met verzoeken voor nakijkwerk. “Jan-Willem, over tien minuten in mijn kantoor!” Het is de nieuwe afdelingschef. Voorheen was hij een redacteur bij een onbeduidend tijdschrift, nu leidt hij de buitenlandafdeling van de regionale krant. Een man van begin dertig die zeer gedreven is in alles wat hij doet. Misschien liggen wij elkaar daarom niet zo. Tenminste dat gevoel heb ik bij hem. Alsof hij in een heel andere wereld verkeert dan ik. Carrière, ambitie, verbeterplannen, Amerikaanse toespraken om de afdeling op te peppen. Een enkeling gaat er in mee maar de meesten blijven de Hollandse nuchterheid trouw.

De lamellen van zijn kantoor zijn dichtgedraaid en ik neem het zekere voor het onzekere. Ik klop zacht en ik heb mijn hand nog niet teruggetrokken of de deur gaat met een zwiep open. “Kom binnen, vriend!” Hij schudt mij de hand en legt zijn andere hand op mijn schouder. Hij trekt mij letterlijk zijn kantoor binnen. “Jan-Willem, ga zitten!” spreekt hij luidkeels. Nog zo’n Amerikaanse gewoonte: hard en duidelijk spreken en iedereen op de werkvloer is je vriend. Wanneer ik net zit komt de koffiejuffrouw binnen. “Ah, hier zit je!” Let een beetje op hem, Kees!” Haar stem is snijdend. “Vandaag heeft Jan-Willem niet zo’n goed humeur. Hier heb je een lekker koppie koffie, schat!” De chef schijnt het allemaal vermakelijk te vinden en wacht rustig af tot zij en haar rammelkarretje de deur weer uit zijn. “Zo, dus je humeur is vandaag niet optimaal?” “Nu ja, tot zojuist had ik nergens last van maar wanneer jij en tante Ans anders beweren dan zal het wel zo zijn. In al mijn eerlijkheid moet ik bekennen dat mijn humeur voor de maandagochtend opperbest is.” “Al goed, al goed,” zegt Kees op een bedaarde toon. Luister, Jan-Willem, hoe is het met je? Hoe gaat het thuis? En met je vrouw?” Enigzins argwanend vraag ik hem: “Mijn vrouw? Ken jij mijn vrouw?” “Nee”, zegt Kees stellig. “Ik weet eigenlijk zeer weinig over jou. Vertel eens wat over je gezin. Begin maar, wanneer je dat wilt, over je vrouw.” “Pauline. Zo heet mijn vrouw. Pauline is een vrouw. Nee. Ja, natuurlijk is Pauline een vrouw.” Kees kijkt mij verbouwereerd aan. “Mijn vrouw is een perfectionist, weet je. Pardon, een perfectioniste! Alles moet voor haar perfect zijn. Alles in huis heeft een vaste plaats, daar mag niet van afgeweken worden. Zij is heel opgeruimd en wij behoren daar aan mee te doen. Buiten dat is zij een taalpurist. Excuseer, een puriste.” De chef kijkt mij vertwijfeld aan, maar ik laat mij niet ontmoedigen en ga verder; “Onlangs schreef ik een liefdesbriefje voor haar en dat liet ik achter op de keukentafel. Zij staat meestal later op dan ik, dan vindt zij het briefje bij het theedrinken. Koffie, daar begint zij niet aan. Dat schijnt slecht voor haar bloeddruk te zijn. Zij raadt het mij ook af, maar dat zijn de geneugten van het leven waar ik geen afstand van wil doen. ’s Avonds toen ik thuiskwam lag het briefje nog exact op dezelfde plaats, aangevuld met  komma’s en de punten die ik vergeten was. De correcties waren ook voorzien van enig commentaar. In het rood geschreven.” “Goed, goed”, onderbreekt hij mij. “Ik zal niets meer vragen” Hij draait zich even om en kucht een paar keer. Ik knik. “Maar waarom heb je mij hier uitgenodigd?” “Luister, Jan-Willem,” zegt Kees. “De reden waarom ik wat meer over je wil weten, is omdat ik het gevoel heb dat je het allemaal niet zo ziet zitten.” Nu word ik toch behoorlijk argwanend. Gaat hij mij nu vertellen dat ik word ontslagen? “Maar..” “Wacht even, Jan-Willem, voordat je iets zegt, laat mij eerst uitpraten. Straks kun je alles zeggen wat je wilt maar ik heb een voorstel. “Wat dan?” vraag ik hem verbaasd. Hij plaatst zijn wijsvinger kort tegen zijn lippen en vervolgt zij verhaal. “Wat zou jij ervan vinden om op werkbezoek te gaan, in het buitenland?” “Werkbezoek? Buitenland? Ik? Maar voor hoelang?” “Het gaat om een periode van zes weken en het enige wat je taak is, is de medewerkers daar volgen en erover schrijven. Wat zij dagelijks doen. Hoe ziet hun dagprogramma eruit? Waar moeten zij voor waken? Hoe is de beveiliging, enzovoorts enzovoorts.” “Waar wil je mij in godsnaam naartoe sturen, Kees, wanneer je spreekt over dagprogramma’s en beveiligingen?” Zeg mij eerst of je er oren naar hebt, Jan-Willem.” Ja, ja, natuurlijk wel!” Onderwijl Kees de telefoon opneemt denk ik aan thuis. Dat betekent dat ik zes weken van huis ben. Ik zie Pauline en de kinderen anderhalve maand niet. Wat zouden zij ervan vinden? Kunnen zij zo lang zonder mij of ik zonder hen? Plots schieten mij de woorden van Pauline binnen die zij mij vorige week toesnauwde: “Onderneem eens wat, Jan-Willem! Je zit op je werk of thuis en voor de rest doe je helemaal niets!” Juist wanneer Kees de telefoon neerlegt roep ik luidkeels: Ja, ik doe het!” “Mooi!” zegt Kees, “de reis gaat naar Afghanistan!”

Een reactie plaatsen

Mijnheer van Vliet

Door Frank Beuken

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Goedemiddag, meneer van Vliet. Hoe maakt u het?” Roderick doet zijn uiterste best om zijn haatgevoelens te verbergen. “Dat gaat je niets aan, stomme homo!” bromt meneer van Vliet. Roderick weet dat deze maandag niet hetzelfde wordt als de andere wekelijkse bezoeken van meneer van Vliet. “Nou, gaat u hier maar zitten hoor, vriendelijke man!” Roderick heeft, in tegenstelling tot meneer van Vliet, een vrij hoge stem en een overdreven Amerikaanse r, die achter in de keel uitgesproken wordt. Roderick kwam vijftien jaar geleden vanuit Amerika, voor zijn grote liefde, naar Nederland. “Wat mag ik vandaag met dat onmogelijke haar en uw hangsnor doen, meneer van Vliet?” Roderick blijft beleefd, maar cynisme krijgt duidelijk de overhand. Zijn collega Mark ziet direct dat Roderick niet op zijn gemak is, en hij kijkt hem even streng aan, alsof hij zeggen wil; blijf kalm. In een korte en snelle tred loopt Roderick voor meneer Van Vliet uit, daarbij zijn rechter onderam opgetrokken en zijn vingertoppen naar beneden wijzend. Even staat Roderick in de weg, maar een korte sis van meneer Van Vliet laat hem direct opzij stappen. “U geniet zeker net zoveel van het mooie weer als ik, hè, meneer Van Vliet?” vraagt Roderick en hij maakt zijn blauw-groene ogen heel groot. Meneer Van Vliet neemt plaats in de grote, lederen stoel en krijgt een wit schort om. “Niet zo strak, stomme nicht!” en meneer Van Vliet duwt zijn vingers tussen de kraag en zijn hals in, en geeft een korte ruk aan het schort. Deze keer laat Roderick het schort wat losser. “Gewoon knippen en voor de rest je mond houden!” bromt meneer Van Vliet weer. “Ik zeg het je: wanneer jouw domme landgenoten in 1945 niet hadden ingegrepen, had jij geen schijn van kans gehad hier! Zij hadden jouw direct naar een heropvoedingskamp gestuurd!” Duidelijk geschrokken, dit keer, maakt Roderick aanstalten om weg te lopen, want nu gaat meneer Van Vliet, duidelijk te ver,maar dan bedenkt hij zich. Hij gaat tussen hem en de spiegel instaan, en begint te kappen. Na ongeveer een kwartier, zegt Roderick: “Zo klaar, meneer Van Vliet. Het haar gemodelleerd en uw snor bijgeknipt!” In een beweging neemt Roderick het schort af en doet een stap opzij, zodat meneer van Vliet de spiegel kan zien. Het donkere haar naar rechts gekamt en ietwat aan het voorhoofd geplakt. De snor is nog maar net zo breed als zijn neus. Meneer van Vliet zet grote ogen op. Hij buigt iets naar voren en knijpt dan zijn ogen samen. Hij grijpt met zijn grote behaarde handen de brede leuningen vast en komt wat uit zijn stoel. Roderick heeft afstand genomen en doet net alsof hij niets meekrijgt van het tafereel. Meneer Van Vliet begint binnensmonds te vloeken. De ergste ziektes komen voorbij. Hij gaat staan en recht zijn rug. Plots spreekt hij weer luid: “Dát is puik werk, jongeman!” Tevreden legt hij een biljet van vijftig euro op de toonbank, hij pakt zijn jas en haast zich de deur uit.

Een reactie plaatsen

De schoonmoeder

Door Frank Beuken

 

Kofferbak“Met Anneke.” “Ja, met mij, je schone zoon!” “Laat dat schone maar weg. Dat heb ik al verorberd!” klinkt het cynisch, aan de andere kant van de lijn. “Verdomme, Anneke! Je zou daar niet meer over beginnen! Het is een keer gebeurd. Ik wil niet dat Johanneke erachter komt!” antwoordt Peter duidelijk geërgerd. “Eerlijk gezegd Peter, begrijp ik niet wat zij in jou ziet. Je loopt erbij als een arme sloeber en je hebt geen behoorlijke baan om haar te onderhouden.”

 

“Daar had jij toch ook geen probleem mee, toen wij die nacht samen waren?” “Ach, Petertje, zelfs daar presteerde jij niet veel.” Ben je dronken, Anneke?” “Nee, hoezo?” “Nu ja, ik ben dit niet van jou gewend.” “Ach, Peter. Je zou eens een glas moeten proberen. Dan ben je misschien meer te genieten. Eerlijk gezegd, is Hendrik-Jan een veel betere partij voor Johanneke. Hendrik-Jan heeft een goede baan bij de bank, iets waar jij alleen maar op zit, en hij kleedt zich bijzonder goed, én hij vindt het wel gezellig om samen een glas wijn te drinken. Iets wat jij telkens afslaat. “Wat?” zegt Peter verschrikt. “Je bedoelt ‘samen’…?”

Een reactie plaatsen

De man en de herfst I

Door Frank Beuken

A long bench

Het is nog maar zes uur in de ochtend, net voorbij de schemertijd. Over een week of twee zal de zon mij niet meer begroeten, want de dagen worden almaar korter. Dan ben ik weer afhankelijk van de digitale wekker, verhuld in een ouderwetse ‘rinkelklok’ met bijkomend getik. Een zacht getikweliswaar, maar zodra het buiten stil is, zorgt dit geluid dat ik geregeld de slaap niet kan vatten.  Mijn hoofd bonkt van een glas wijn teveel, bij het etentje gisteravond van onze buren.

Ik merk dat het mij de laatste tijd sowieso zwaarder valt om ’s morgens op te staan. Pauline meent dat het met het oude springveren matras te maken heeft, dat ik na tien jaar nog steeds niet wil vervangen voor een modern comfortzonematras. Toch vind ik het knap van die reclamemensen. Telkens weer verbaas ik mij over de nieuwe benamingen die zij uit hun mouw schudden. Comfortzone- of intelligent ontspanningsligbed. Voor mij blijft het een matras. Ikzelf denk dat het problematische opstaan met mijn leeftijd te maken heeft. Pauline doet het af als onzin en zegt: “Je bent zo oud als je jezelf voelt!” en: “Op je veertigste ben je nog helemaal niet versleten!” Zij kan mij nog meer vertellen, maar ik besef heel goed dat ik ouder wordt. De jongeren die ik tegenkom zien in mij een oudere man. Dit besefte ik voor het eerst toen een jongen mij met u aansprak: ” Meneer, weet u hoe laat het is?” Nog in een roes druk ik de schakelaar van het koffieapparaat in, en ik sjok naar de badkamer. Ik draai de kraan van de douche open. Ik zie nog net het gezicht van de maandagochtendman, voordat het verdwijnt achter de beslagen spiegel. Alles gaat op een manier waarvan je weet dat dit al jaren elke dag wordt herhaald. Pas wanneer ik met mijn ogen dicht, onder de douche het stuk zeep niet kan vinden, word ik echt wakker. Alsof het automatische proces wordt onderbroken. Bij het afdrogen van mijn rug denk ik telkens weer: Daar zouden ze toch iets anders op moeten verzinnen. Het is een veel te ingespannen beweging om je rug goed droog te krijgen. Geërgerd over het feit dat ik mijn hemd wat voel plakken, loop ik kauwend op mijn tandenborstel naar de keuken. Het is de geur van koffie die mijn humeur weer wat opbeurt. Bijna vanzelfsprekend wil ik de lade van de servieskast opentrekken om een sigaret te pakken,maar ik ben sinds twee weken gestopt. Het is te veel voor een mens in de vroege ochtend. Tussen de wekpotten, op het bovenste schap bij het fornuis, ligt een e-sigaret. Waarom deze daar ligt en niet op een wat logischer plaats is waarschijnlijk mijn eigen schuld. Zoals gezegd, een glas teveel op doet een hoop vergeten. Aan de keukentafel drink ik mijn koffie en lurk bijna fanatiek aan de e-sigaret. Het is alsof de vloeibare nicotine in dat ding mij nooit voldoening geeft. De verpakking beweert echter anders. Een krant en een tablet. Persoonlijk kies ik voor de conventionele krant maar mijn kinderen zweren bij de tablet, en zij vinden dat ik er ook maar mee moet leren omgaan. Zij vinden het storend wanneer zij mij om hulp vragen, en ik meestal mijn schouders ophaal en duidelijk laat merken dat ik het maar een onding vind. Ik doe een aantal pogingen om het nieuws online te lezen, maar het is toch niet hetzelfde. Voorzichtig schuif ik het apparaat opzij en ik sla de krant open. Er gaat niets boven het geritsel van het papier met een groot overzicht. Alsof je makkelijker kiezen kan waar je begint te lezen. Onderaan, in het midden, of eerst de kop van de krant: De begroting is klaar voor prinsjesdag. ‘Hoe zit het eigenlijk met onze begroting?’ vraag ik mij af. Ik zal Pauline, vanavond eens vragen. Nu is het niet zo dat ik geheel ouderwets ben, hoor. Voor mijn afspraken en bereikbaarheid heb ik een smartphone aangeschaft, en voor mijn werk kan ik niet zonder een computer. Ik denk dat het meer de rust is die ik vind in simpele zaken, zoals een krant. In mijn linkerhand houd ik mijn grote kop koffie omklemd en in mijn rechterhand de e-sigaret. Een asbak zou nu wel aangenaam zijn geweest, zodat ik dat ding even kan neerleggen zonder dat het lekt op het tafelkleed. Pauline heeft mij daar al een paar keer voor gewaarschuwd. Wanneer ik goed en wel klaar ben voor vertrek, loop ik nog even de tuin in. Ik haal een paar keer diep adem en het is duidelijk. De zomer loopt op zijn eind. Het wordt kouder in de ochtenden, en ik weet niet of ik het mij inbeeld, maar de lucht wordt zuiverder.  Alsof ik dieper kan inademen. De moestuin ligt er wat verlept bij. De tomatenplanten rottend op de aarde en geen courgette meer te bekennen aan de lange uitlopers van de plant. Mijn sloffen zijn doorweekt van het vochtige gras, iets wat ik elke ochtend schijn te vergeten in deze tijd van het jaar.  Nog even droge sokken aandoen. Mijn schoenen staan keurig op de plek waar ik ze elke ochtend vind. In het schoenenkastje naast de achterdeur, terwijl ik ze elke avond, onder de keukentafel uittrap. Ik draai de deur op slot, want Pauline hoeft pas een uur later op te staan. Met de mouw van mijn jas veeg ik het zadel van mijn fiets droog. Voor de tas heb ik met mijn laatste verjaardag een handige beugel gekregen, gemonteerd op de bagagedrager, waarin mijn tas past. Pauline en de kinderen hadden dit bekokstoofd nadat ik mijn tas tot twee keer toe ben kwijtgeraakt. De eerste keer is mijn tas op weg naar het station op onverklaarbare manier verdwenen, terwijl ik deze achterop mijn fiets had. Pauline meende dat ik de tas niet op de juiste manier onder de snelbinders had bevestigd. De tweede keer is de tas aan de zijkant van de fiets terechtgekomen toen ik de winkelstraat naar beneden fietste, en op het laatste moment moest uitwijken voor een dronken man. De tas raakte tussen de spaken van het achterwiel  en ik kwam tot stilstand tegen een geparkeerde auto. Toen ik bijkwam lag ik in het Radboudziekenhuis en om mij heen zaten Pauline en de kinderen. “Je hebt een ongeluk gehad, pap!” sprak mijn dochter zeer luid, alsof ze het vermakelijk vond. Mijn zoon kijkt mij niet eens aan en zit met zijn armen strak over elkaar. Zijn gezicht verraadt een zojuist aangekomen standje van zijn moeder. “Schat, je hebt een enorme smak gemaakt. Buiten een hoofdwond heb je een gebroken sleutelbeen en drie gekneusde ribben. Volgens de dokter ben je over drie weken weer op de been,” zei Pauline, terwijl zij mijn hand vastpakte. Ze keek mij medelijdend aan,maar daarachter schuilde een afkeurende blik. “Wat heb je jezelf toch weer aangedaan” Ik hoorde het haar zeggen. Het heeft nog zeker een maand geduurd voordat ik weer naar mijn werk kon. Met mijn linkervoet op het pedaal maak ik met mijn rechtervoet, een paar ferme stappen en ik spring vervolgens behendig op defiets. Na nog geen 5 minuten fietsen, zijn mijn handen ijskoud. Ik blaas met mijn mond warme lucht, eerst in de ene dan in de andere hand. Ja, het wordt echt kouder. De route van mijn huis tot aan het centraal station van Nijmegen is ongeveer een half uur. Een heerlijke fietstocht over de dijk. De mistbanken bedekken de Waal geheel en sluipen langzaam over het wit uitgeslagen gras van de uiterwaarden. Waar je ook kijkt, zie je groepjes ganzen die druk gakken over de volgende reis. In het begin van de winter is het hier een komen en gaan van enorme vluchten ganzen. In V-formaties vliegen zij over de Ooypolder. Duizenden komen uit het koude noorden en nog eens duizenden verlaten de polders om zuidwaarts te keren. Maar nu is het relatief rustig. De winter zal nog wel een tijd op zich laten wachten. Zwanen, reigers en ooievaars maken deel uit van de vele soorten vogels, die men hier ziet. Het wegdek van de dijk is nat en boombladeren en takjes liggen her en der verspreid.
De zomer is voorbij.

Een reactie plaatsen

Degenen

Door: Frank Beuken

Complexiteit

Complexiteit

De eerste herfststorm jaagt over de hoge dijk. Er is een spel gaande, tussen de bus en de natuur. De wind probeert de bus van de dijk af te duwen, maar de chauffeur trekt het stuur uit alle macht naar rechts om op de smalle strook asfalt te blijven. Een school bladeren van hoge populieren waaien in een ruk los en schieten voorbij. Een enkel blad rust kort op de voorruit, precies in het gezichtsveld van de bestuurder. Het lijkt hem niet te deren, omdat zijn dans met de storm zijn hoogtepunt heeft bereikt. Bij een korte bocht naar rechts schiet het achtergebleven blad weg, en de chauffeur kan weer rechtop zitten.

De dijk komt ten einde en de handvol passagiers zijn zichtbaar opgelucht. Nu is het nog een kleine afstand door de drukte van de stad. De chauffeur is duidelijk meer op zijn gemak dan net op de dijk. De fietsers die hem aan alle kanten voorbij razen, lijkt hem niet te deren. Hij lijkt stoïcijns in de ogen van de voetgangers, die hem vragend aankijken, want zij willen oversteken. Bij het centraal station van Nijmegen komt de bus tot stilstand. Godzijdank dat wij er zijn! Rond deze tijd van het jaar, wanneer het buiten fris aan het worden is en ik met mijn dubbelknoops zeemansjas in de bus zit, word ik loom door de warmte en heb ik het gevoel dat er een gebrek aan zuurstof is. Met kloppend hoofd sta ik op het grote plein voor het station. Een paar keer wapper ik met mijn jas om weer wat af te koelen. Dan schiet ik weer vol. De tranen rollen als warme druppels over mijn hoogrode gelaat. Wat eens zo vanzelfsprekend was lijkt nu zo ver weg. Daar sta ik  met mijn 52 jaar, als een kind te huilen. De vrouw, van mijn leeftijd, op zoek naar haar ware vader, kwam via onderzoek bij mijn vader uit. Hij zou zonder twijfel ook haar vader zijn. Dit zou blijken uit documenten die door hem zijn ondertekend. Mijn zus en ik stonden bloed af, voor een DNA-test. De vrouw bleek echter geen dochter van mijn vader te zijn. Er was niets van enig verwantschap te vinden en omdat haar moeder reeds overleden is, blijft er voor haar niets meer over dan te accepteren dat zij nooit zal weten, wie haar biologische vader is.  De schok voor mij kwam echter daarna. Niet lang nadat de vrouw het slechte nieuws had vernomen , kreeg ik te horen dat ik maar voor de helft verwant ben aan mijn zus! Wie had dat gedacht? Mijn vader is niet mijn biologische vader. Begrijp mij niet verkeerd, ik heb daar geen moeite mee. Net zo min als een paar jaar geleden, toen hij stierf. Nee, ik heb nooit een band gehad met mijn vader. Misschien had ik toentertijd al kunnen bedenken dat hij niet mijn echte vader was. Het is eerder de angst voor wat er staat te gebeuren: Ik moet mijn andere broers en zussen inlichten. Ik zal hen het nieuws moeten vertellen dat ik maar een halfbroer ben. Zelfs mijn achternaam kan in de prullenbak. Ik moet mijn vrouw en kinderen vertellen dat wij afstand moeten doen van onze familienaam, dat er weldra een andere naam voor in de plaats komt en dat hij toch niet hun opa was. Dát is het, waar ik zo tegenop zie. Alsof je identiteit een enorme dreun krijgt. De geschiedenis brokkelt voor de helft af, en dat gedeelte moet weer van de grond af aan worden opgebouwd. Nadat ik weer enigzins tot mijzelf gekomen ben, loop ik naar het station. Ik kijk vluchtig op de klok en er blijft nog tijd over om een koffie te kopen, voor in de trein. De wind jaagt over de perrons. Ik ga in een stevige looppas naar perron 1A. De trein naar Utrecht staat klaar. Eenmaal binnen twijfel ik doorgaans of ik beneden of boven ga zitten, in de dubbeldekstrein. Boven is het mij te benauwend, door de lage plafonds, en beneden is het te laag. Daar kijk je tegen de voeten van wachtende passagiers op het perron aan. Wanneer ik eenmaal besloten heb om boven te gaan zitten maak ik rechtsomkeert om beneden plaats te nemen, waar het toch beduidend rustiger is. Wetende dat de trein in Arnhem de andere richting opgaat, ga ik met mijn rug in de rijrichting zitten. Ik heb dan zo’n binnenpretje wanneer ik mensen de andere richting op zie zitten. Alsof ik de enige ben, die weet wat daar in Arnhem te gebeuren staat. Ergens halverwege de coupé neem ik plaats waar vier passagiers tegenover elkaar kunnen zitten. Nu zit ik er nog alleen, maar bij de volgende stations zal dit snel veranderen. Ik zet mijn beker koffie op het tafeltje en ik leg mijn jas naast mij neer. Op het moment dat ik de krant opensla, zet de trein zich in beweging. Van lezen komt niets terecht, want ik ben met mijn gedachten alweer bij het DNA-onderzoek. Natuurlijk nam ik direct contact op met mijn moeder. Ik legde haar de uitslag voor en er volgde een korte stilte  Eigenlijk wilde ik wachten totdat ik haar zou zien in het ouderlijk huis, maar dat soort geduld bezit ik nu eenmaal niet. “Nou, dat kan helemaal niet, hoor!” riep zij verontwaardigd uit. “Je vader is de enige man in mijn leven geweest.” Ik probeerde haar het een en ander duidelijk te maken maar zij hield voet bij stuk; het is onmogelijk. Het gesprek duurde nog geen vijf minuten en ik bel haar terug wanneer ik meer informatie heb. Vanmiddag om twee uur heb ik een afspraak met de verantwoordelijke arts in het UMC Zij zal mij dan, hopelijk meer duidelijkheid verschaffen omtrent deze mogelijke vergissing. De hele reis is aan mij voorbij gegaan. Intussen rijdt de trein het centraal station van Utrecht al binnen. De mensen die om mij heen zitten, zie ik nu pas voor het eerst. Zelfs mijn jas ligt op mijn schoot in plaats van op de stoelen. De koffie, in de meeneembeker is onaangeroerd. De hele mensenmassa gaat naar de uitgang en ik laat mij meevoeren door de waas waarin ik verkeer. Na een klein halfuur ben ik aangekomen bij het ziekenhuis. Mijn hart gaat vreselijk tekeer. Bang voor wat er komen gaat. Het is zover! De vriendelijke jongeman aan de balie knikt vriendelijk naar mij en vraagt of ik met hem wil meelopen. De ene gang na de andere. Eerst links, dan rechts, nog eens rechts en vervolgens weer naar links. De deur staar open. “Gaat u maar naar binnen, meneer.”Hij doet een stap opzij om de weg voor mij vrij te maken. De arts staat op en komt met uitgestoken hand op mij af. “Goedemiddag, gaat u hier maar zitten.” Onwennig kijk ik om mij heen voordat ik ga zitten. “Ik heb begrepen dat u nog vragen heeft over de uitslag?” zegt zij. Stotterend begin ik de woorden te vinden: “Kan het zo zijn, dat er met het onderzoek fouten zijn gemaakt? Ik bedoel, hoe zeker is het dat mijn vader niet de verwekker is?” De arts lijkt wel ietwat verbaasd en haar ogen worden groter. “Maar meneer, het gaat om uw moeder!”

Een reactie plaatsen

%d bloggers liken dit: