De man en de herfst II

Door Frank Beuken

Herfst 2

Ik stal mijn fiets in het gereserveerde hokje. De trein is precies op tijd en we hebben godzijdank nog geen vertragingen gehad, maar dat verandert in de herfst beslist. Mijn chef heeft er dan alle begrip voor dat ik te laat kom, zegt hij, maar zijn kritische blik vertelt mij wat anders. De trein zet zich in beweging en vandaag wil ik even niets lezen. Ik leun met mijn elleboog op het kleine tafeltje boven de prullenbak en ik staar naar buiten. Overal zie je de drukte van forensen die alle richtingen op reizen. De trein zet zich, na een kort fluitsignaal van de conducteur, langzaam in beweging. Ik zit met mijn rug naar de rijrichting toe. Niet dat ik dat prettiger vind. Integendeel, maar over drie stops komen we aan in Arnhem en van daaruit begeeft de trein zich in de omgekeerde richting en dan zit ik dus goed. Had ik dat niet gedaan dan zat ik nu de hele reis achterstevoren want in Arnhem is de trein al overvol en zou ik niet meer van plaats hebben kunnen ruilen. Na een korte stop op het station Ede-Wageningen komt er een meisje tegenover mij zitten met een koptelefoon op, druk aan het typen op haar smartphone. Helemaal weg van deze dagelijkse sleur. Ik heb het ook eens geprobeerd om met een koptelefoon op door het verkeer te gaan, maar ik raakte lichtelijk in paniek omdat ik de omgevingsgeluiden niet meer horen kon. Het meisje is, onderwijl zij driftig doorgaat met typen, met haar voet aan het meetikken op de maat van de muziek. Dat zij het juiste ritme heeft, weet ik omdat zij niet de enige is die de muziek hoort. Ik word wreed verstoord door een trap tegen mijn knie. “Hee! Hee, man, kijk naar wat anders!” snauwt ze mij toe. Ik schud mijn hoofd een paar keer en ik knipper met mijn ogen. “O, sorry! Ik had het niet in de gaten dat ik je aanstaarde. Dat schijn ik wel vaker te doen.” Wat mij aan haar opvalt zijn de proporties van haar gezicht. Ze heeft een smal gelaat maar haar bril met een dik zwart montuur bedekt bijna de helft van haar gezicht. De grote plus lenzen laten haar ogen nog groter uitkomen dan ze in werkelijkheid zijn. Het krijgt bijna een buitenaards uiterlijk. “Het spijt mij,” voeg ik er nog aan toe. Ze probeert mij wat gerust te stellen: “Het is al goed joh! Ik heb je overigens wel vaker in deze trein gezien.” “In deze trein?”, antwoord ik verbaasd. Ik begon mij terdege af te vragen of zij precies weet welke treinstellen er allemaal zijn. Sommige mensen bezitten dat soort gaven. “In de trein naar Utrecht!”, zegt ze omdat een reactie van mij uitblijft. Ik steek mijn hand naar haar uit. “Ik ben Jan-Willem.” Zij neemt de moeite niet of vindt het vreemd om mij een hand te geven, maar zij verraadt mij wel dat ze Nathalie heet. “Ik ken een liedje met de titel Nathalie, uit de zestiger jaren. Ik meen dat Gilbert Bécaud het zong.” “Nope”, zegt ze ongeïnteresseerd. “Nog nooit van gehoord.” “Ik ben een zeer slechte zanger anders had ik het lied voor je gezongen.” Daarbij trek ik een onnozel gezicht. Een klein lachje verraadt dat zij het wel goed vindt dat ik niet ga zingen. We arriveren op Utrecht–Centraal en zij staat op. “Ik ga het liedje opzoeken, hoor! Doei!” En weg was zij. Nu vraag ik je. Eerst laat zij mij duidelijk haar desinteresse blijken in een lastige man zoals ik, dan is zij toch nieuwsgierig geworden. Of is het om mij niet met een rotgevoel te willen achterlaten?

De trein rijdt het station Amsterdam-Amstel binnen. Nog een wandeling van tien minuten en dan begint de werkdag weer. Bij het verlaten van de trein merk je de straffe wind. Het is ook duidelijk kouder dan in het oosten van het land. Soms kan dat vijf hele graden schelen. “Zo Jan-Willem, heb je de reis weer overleefd?” De portier in het glazen hokje heeft, zoals gewoonlijk, een goed humeur. Hij doet mij denken aan een hagedis in zijn terrarium. “Ja, Dirk ik spreek je straks nog!” “Jan-Willem! Wacht even! Heb je nog aan mijn spullen gedacht?” “Volgende week, Dirk! Ik heb van het weekend geen tijd gehad. Tot vanmiddag!” Ik snel naar de liften toe. De koffiejuffrouw, Ans, probeert het karretje vol met thermoskannen en kopjes de lift in te duwen, maar de kleine draaiwieltjes willen niet meewerken. Ik snel mij tussen het karretje en de liftdeuren door en til het onding even omhoog zodat een van de wieltjes niet meer blijft steken tussen de bewegende drempel. “Bedankt, schat!” Het ielige, afgeknepen stemmetje gaat door merg en been. Zij is een echte Mokumse en zij heeft altijd haar woordje klaar. Ik knik vriendelijk, kijk vervolgens naar het plafond van de lift en ik hoop dat het contact hier uitblijft. Het is een heel vriendelijke dame van rond de zestig jaar, maar op de vroege ochtend ben ik niet tegen haar opgewassen. Ik woon al te lang aan de oostkant van het land. De Nijmeegse mentaliteit lijkt in veel opzichten op de Brabantse mentaliteit, ondanks dat het in Gelderland ligt. In de ochtend houden zij van rust en spreken elkaar niet zo vlot aan.

Op de zesde verdieping stap ik uit de lift. Nog een minzaam lachje voor de koffiejuffrouw en ik loop zo snel mogelijk naar mijn bureau. “Volgende keer wat vriendelijker graag!” klinkt het luid en schel uit de lift voordat de deuren weer dichtgaan. Daarna zei zij nog iets, maar dat was niet meer te verstaan.

Het proces van het begin van de werkweek is begonnen. Ik neem plaats aan mijn bureau en schakel de computer aan. Ik luister de berichten af van het antwoordapparaat. Niets bijzonders. Links van mij ligt een stapel papier met berichten die uitgewerkt moeten worden en de mailbox zit op maandag doorgaans vol met verzoeken voor nakijkwerk. “Jan-Willem, over tien minuten in mijn kantoor!” Het is de nieuwe afdelingschef. Voorheen was hij een redacteur bij een onbeduidend tijdschrift, nu leidt hij de buitenlandafdeling van de regionale krant. Een man van begin dertig die zeer gedreven is in alles wat hij doet. Misschien liggen wij elkaar daarom niet zo. Tenminste dat gevoel heb ik bij hem. Alsof hij in een heel andere wereld verkeert dan ik. Carrière, ambitie, verbeterplannen, Amerikaanse toespraken om de afdeling op te peppen. Een enkeling gaat er in mee maar de meesten blijven de Hollandse nuchterheid trouw.

De lamellen van zijn kantoor zijn dichtgedraaid en ik neem het zekere voor het onzekere. Ik klop zacht en ik heb mijn hand nog niet teruggetrokken of de deur gaat met een zwiep open. “Kom binnen, vriend!” Hij schudt mij de hand en legt zijn andere hand op mijn schouder. Hij trekt mij letterlijk zijn kantoor binnen. “Jan-Willem, ga zitten!” spreekt hij luidkeels. Nog zo’n Amerikaanse gewoonte: hard en duidelijk spreken en iedereen op de werkvloer is je vriend. Wanneer ik net zit komt de koffiejuffrouw binnen. “Ah, hier zit je!” Let een beetje op hem, Kees!” Haar stem is snijdend. “Vandaag heeft Jan-Willem niet zo’n goed humeur. Hier heb je een lekker koppie koffie, schat!” De chef schijnt het allemaal vermakelijk te vinden en wacht rustig af tot zij en haar rammelkarretje de deur weer uit zijn. “Zo, dus je humeur is vandaag niet optimaal?” “Nu ja, tot zojuist had ik nergens last van maar wanneer jij en tante Ans anders beweren dan zal het wel zo zijn. In al mijn eerlijkheid moet ik bekennen dat mijn humeur voor de maandagochtend opperbest is.” “Al goed, al goed,” zegt Kees op een bedaarde toon. Luister, Jan-Willem, hoe is het met je? Hoe gaat het thuis? En met je vrouw?” Enigzins argwanend vraag ik hem: “Mijn vrouw? Ken jij mijn vrouw?” “Nee”, zegt Kees stellig. “Ik weet eigenlijk zeer weinig over jou. Vertel eens wat over je gezin. Begin maar, wanneer je dat wilt, over je vrouw.” “Pauline. Zo heet mijn vrouw. Pauline is een vrouw. Nee. Ja, natuurlijk is Pauline een vrouw.” Kees kijkt mij verbouwereerd aan. “Mijn vrouw is een perfectionist, weet je. Pardon, een perfectioniste! Alles moet voor haar perfect zijn. Alles in huis heeft een vaste plaats, daar mag niet van afgeweken worden. Zij is heel opgeruimd en wij behoren daar aan mee te doen. Buiten dat is zij een taalpurist. Excuseer, een puriste.” De chef kijkt mij vertwijfeld aan, maar ik laat mij niet ontmoedigen en ga verder; “Onlangs schreef ik een liefdesbriefje voor haar en dat liet ik achter op de keukentafel. Zij staat meestal later op dan ik, dan vindt zij het briefje bij het theedrinken. Koffie, daar begint zij niet aan. Dat schijnt slecht voor haar bloeddruk te zijn. Zij raadt het mij ook af, maar dat zijn de geneugten van het leven waar ik geen afstand van wil doen. ’s Avonds toen ik thuiskwam lag het briefje nog exact op dezelfde plaats, aangevuld met  komma’s en de punten die ik vergeten was. De correcties waren ook voorzien van enig commentaar. In het rood geschreven.” “Goed, goed”, onderbreekt hij mij. “Ik zal niets meer vragen” Hij draait zich even om en kucht een paar keer. Ik knik. “Maar waarom heb je mij hier uitgenodigd?” “Luister, Jan-Willem,” zegt Kees. “De reden waarom ik wat meer over je wil weten, is omdat ik het gevoel heb dat je het allemaal niet zo ziet zitten.” Nu word ik toch behoorlijk argwanend. Gaat hij mij nu vertellen dat ik word ontslagen? “Maar..” “Wacht even, Jan-Willem, voordat je iets zegt, laat mij eerst uitpraten. Straks kun je alles zeggen wat je wilt maar ik heb een voorstel. “Wat dan?” vraag ik hem verbaasd. Hij plaatst zijn wijsvinger kort tegen zijn lippen en vervolgt zij verhaal. “Wat zou jij ervan vinden om op werkbezoek te gaan, in het buitenland?” “Werkbezoek? Buitenland? Ik? Maar voor hoelang?” “Het gaat om een periode van zes weken en het enige wat je taak is, is de medewerkers daar volgen en erover schrijven. Wat zij dagelijks doen. Hoe ziet hun dagprogramma eruit? Waar moeten zij voor waken? Hoe is de beveiliging, enzovoorts enzovoorts.” “Waar wil je mij in godsnaam naartoe sturen, Kees, wanneer je spreekt over dagprogramma’s en beveiligingen?” Zeg mij eerst of je er oren naar hebt, Jan-Willem.” Ja, ja, natuurlijk wel!” Onderwijl Kees de telefoon opneemt denk ik aan thuis. Dat betekent dat ik zes weken van huis ben. Ik zie Pauline en de kinderen anderhalve maand niet. Wat zouden zij ervan vinden? Kunnen zij zo lang zonder mij of ik zonder hen? Plots schieten mij de woorden van Pauline binnen die zij mij vorige week toesnauwde: “Onderneem eens wat, Jan-Willem! Je zit op je werk of thuis en voor de rest doe je helemaal niets!” Juist wanneer Kees de telefoon neerlegt roep ik luidkeels: Ja, ik doe het!” “Mooi!” zegt Kees, “de reis gaat naar Afghanistan!”

Advertenties

  1. Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: